Lezing gegeven door:
Mevrouw Denise Everaert
Psychotherapeute, Opleidster Systeempsychotherapie
Sint Adriaanstraat 34
3150 Haacht
Tel – fax: 016/60.33.08
Psychotherapie vanuit
het systeemgericht denkkader
Lezing gegeven op: 25
Maart 1999, Sancta Maria, St. Truiden
Twee citaten: juist
de theorie bepaalt wat wij kunnen waarnemen (Einstein)
Als je al een oordeel hebt, hoef je niet meer te luisteren (van Dantzig)
Als je een zekere leeftijd
hebt bereikt, heb je meestal in verschillende werkmilieus en settings gewerkt.
Voor mij geldt dat ook, sinds 1970. Ik heb onder meer 10 jaar halftime gewerkt
in een centrum voor geestelijke gezondheid in Antwerpen, tegelijkertijd met het
werken in een dagcentrum voor jongvolwassenen in Amsterdam. Daarna heb ik 1 6
jaar op een psychosen afdeling van een psychiatrische kliniek gewerkt. Dat was
een afdeling voor oudere adolescenten en jonge
volwassenen. Parallel met die praktijk verzorg ik reeds 25 jaar een langdurige opleiding voor psychotherapeuten.
Ik heb veel voeling
gekregen met het publiek van de bijzondere jeugdzorg, langs supervisie die ik
al lange tijd geef aan hulpverleners in deze sector
Dit alles verklaart in
feite mijn keuze voor een systeemgerichte benadering: namelijk een sociologische
kijk. Een systeemgerichte benadering maakt je attent op maatschappelijke
processen en hun invloed op een mens, dus op de bekwaamheid en de vaardigheden
die mensen moeten hebben om zich in de maatschappij te handhaven en goed te
functioneren.
Een lezing houden is ook:
zich richten naar mensen. In ons geval vandaag bent u dat. In feite weet ik van
u alleen dat u hulpverleners bent. Ik weet niet waar u werkt noch ken ik uw
persoonlijke en maatschappelijke geschiedenis. Daarom moest ik mij bij mijn voorbereiding
daar een beeld van vormen. Er moeten immers terwijl ik praat, voldoende
raakvlakken met u ontstaan.
Precies hetzelfde moet ook
gebeuren tijdens de therapeutische benadering met de cliënten.
Deel 1: De
gemeenschappelijke aspecten van de psychotherapeutische modellen
Ik wil nu ingaan op een
aantal punten die eigenlijk gemeenschappelijk zijn aan alIe therapeutische
modellen. Iedere therapeut wordt ermee geconfronteerd. Er zijn hulpverleners en
er zijn cliënten en altijd binnen een maatschappelijke context!
Je hebt dan: de betrokken
partijen (die ik net noemde)
en je hebt de vraag van de
mensen. Als je al over een vraag kunt spreken. Ik heb het liever over de
situatie. Met welke situatie komen de mensen..
Deze woordkeuze is
ontstaan vanuit één bepààlde beschrijving van een realiteit: als je spreekt
over partijen, over een cliënt, over een hulpverlener en over een vraag, spreek
je ook over een verschil van functie.
Niet dat ik dat verschil
wit ontkennen, maar het is toch al een bepaling van een realiteit. Of een
bepaling van wat heet ‘de werkelijkheid’: een welbepaalde maatschappelijke
context.
maatschappelijke aspecten
Hoe ontstaan er nu
raakvlakken? Tussen hulpverleners en cliënten - cliëntsystemen! Hoe geraakt ecu
cliënt tot bij u? In welke situatie bevindt hij zich? En over welke informatie
kon hij beschikken?
Maar eerst toch een aantal
reflecties. Er zijn geen 36 manieren om een nieroperatie te verrichten. Er is
een ongeveer welomschreven techniciteit hieromtrent. Dit geldt voor de fysische
geneeskunde.
Maar er zijn veel
benaderingen van bet psychische leed mogelijk. Dat is echter niet het domein
van de techniciteit maar het domein van de attitudes, de ethiek, ja zelfs de
filosofie. Vandaar dat de keuze van het denk- en werkmodel van de therapeut voor
de cliënt wel heel belangrijk kan zijn. Er zijn verschillende
psychotherapeutische scholen, benaderingen, maar vooral: denkkaders.
Naargelang het denkkader is er verschil in de plaats
van de cliënt in het therapeutisch proces en het mandaat dat de cliënt aan zijn
therapeut kan toevertrouwen. Er is ook verschil in de vorm die de deskundigheid
van de therapeut kan nemen of, als u wilt, de wijze waarop de therapeut met
zijn deskundigheid omgaat.
raakvlakken
Een probleem is wel dat
cliënten meestal geen gelegenheid krijgen om te toetsen of het denkmodel, de
ethiek en de attitude van de psychotherapeut (werkmodel) voor hen past. Zeer
weinig therapeuten geven bij de aanvang van de gesprekken
informatie wat dat betreft.
keuze
Een eerste opmerking is
natuurlijk dat de kennismaking van cliënten of patiënten met een therapeut
regelmatig plaatsvindt in een crisissituatie. Nemen we als voorbeeld een opname
op een PAAZ-dienst of op een psychiatrische afdeling. De psychotherapeut die
hen te woord zal staan, als er al een is, is degene die verbonden is aan de
afdeling.
Misschien shockeer ik u
als ik u zeg: als er al een is.
Ik denk dat het nuttig is
om u eraan te herinneren dat alle psychiaters wel dokters zijn maar daarom nog
geen specialistische psychotherapeutische opleiding hebben gehad. Hetzelfde
geldt voor alle gediplomeerde psychologen; ze hebben evenmin perse zo een opleiding gehad, waarmee ik niet wil beweren
dat ze dan pas echt deskundig zijn.
Aan de andere kant zijn
niet alle opgeleide, gevormde psychotherapeuten psychiaters of psychologen. Ze
kunnen sociologen zijn, pedagogen, filosofen, maatschappelijk werkers,
psychiatrisch verpleegkundigen, opvoeders, huisartsen. Jammer genoeg zijn de
titel en de bekwaamheid van psychotherapeuten nog niet strikt genoeg geregeld
en omschreven noch beschermd.
Er zijn in België wel
beroepsverenigingen van psychotherapeuten zoals de psychoanalytische
vereniging, de gedragstherapeutische vereniging, de vereniging van
experientiële psychotherapeuten, de vereniging van systeempsychotherapieopleiders
(ik maak deel uit van die vereniging) en binnenkort zal er ook een vereniging
komen van gezin - en systeempsychotherapeuten. Ik heb het hierover omdat ik u
ook attent wil maken op het teveel aan keuze en het tekort aan échte keuze voor
cliënten.
Vaak zoeken de cliënten in
feite te laat uit een soort valse schaamte of omdat ze in een soort isolement
zitten of uit angst dat ze dan worden opgenomen en dan is er geen keuze meet’.
We beschikken op psychotherapeutisch vlak niet over een figuur die
gelijkgesteld zou kunnen worden met een huisarts. De GGZ-centra, de CLG’s, de
PMS-centra, de intercommunale centra voor maatschappelijk werk vervullen
gedeeltelijk deze functie maar het is duidelijk dat de functie van
vertrouwensfiguur zoals een huisarts die kan vervullen, ontbreekt. Want een
huisarts installeert een persoonlijk contact, komt zo nodig aan huis en kan ook
nog aan preventie doen. Voor een verwijzing naar psychologische hulp is hij
ondanks dit alles niet de meest aangewezen figuur. Als hij het al doet richting
psychiatrie of psychologische hulp voelt de patiënt zich regelmatig (niet
altijd) of gekwetst of niet geloofd in zijn somatische klacht. Maar als er
iemand zou komen die wel ter zake kundig is dan is die persoonlijke vertrouwensrelatie
nodig die een huisarts kan hebhen en op hetzelfde laagdrempelige niveau.
Waarover gaat het? Over
lijden. Welke zijn de maatschappelijke aspecten? We willen het hebben over de
betekenis en de benadering van lijden, over fysisch en psychisch lijden. Prof.
van Dantzig schreef onlangs: ’ Er zijn meer geestelijke kwalen dan de
samenleving veronderstelt, er is veel meer narigheid dan zichtbaar...
pensioenangst bij ouderen, last van seksuele dreiging bij vijftienjarigen of
neerslachtigheid door het mislukken van een carrière bij een veertigjarige.
Belangrijk is alleen waarom de een wél ergens last van krijgt en de andere niet
of minder’.
Hulp zoeken bij geestelijk lijden is helaas nog niet
zo gewoon als hulp zoeken voorlichamelijk lijden. Ik zei het al: schaamte belet
vaak iemand om hulp te zoeken. Maar onze maatschappij heeft ook de capaciteit
om leed te privatiseren. Leed hou je voor jezelf, daar praat je niet over. Naar
een psychiater of psycholoog gaan is
beschamend. En vaak helpen de mensen die psychisch lijden er zélf deftig aan
mee om alles geheim te houden. En dat is vermoedelijk door de opvattingen die
er heersen over fysisch of psychisch lijden.
Fysisch lijden roept medelijden op, men wenst u moed,
men steunt u. U hebt immers geen enkele schuld aan uw ziekte, het overkomt u, u
moet ermee leren leven enz.
Wie psychisch lijdt krijgt
andere boodschappen. De ziekte is moeilijk te definiëren. U lijkt wat
onredelijk, irrationeel, gek? Er is ook geen tijdsduur aan verbonden. Over drie
weken bent u kennelijk niet beter. Dus: u moet wat redelijker worden, uw wil
meer gaan gebruiken, u niet zo laten gaan
want zo komt u uw depressie niet te boven. Men wit u wel helpen maar u zult
het toch vooral zélf moeten doen. Toon wat meer karakter, wees een beetje wilskrachtiger.
Fysisch lijden wordt veroorzaakt door een ziekte en is aan een individu
gebonden. Als de andere heb ik er geen schuld aan dat het jou overkomt (tenzij
door gewelddadigheid).
Bij psychisch Iijden zijn
de grenzen tussen ik en jij veel minder duidelijk. Dergelijk lijden is zoals
gezegd moeilijk te omschrijven en komt onder zeer uiteenlopende vormen voor. Je
kunt het bijna niet terugbrengen tot één individu alleen (Vandaar dat het
vermoedelijk zo dikwijls krampachtig geprobeerd wordt?).
Medicaliseren
Het lijden in het algemeen
is ongeveer sinds 150 jaar overgenomen door het medisch korps, dat korps heeft
zich het lijden als het ware toegeëigend. Een goede zaak wat het fysisch Iijden
betreft. We zijn minder enthousiast wat
het psychisch lijden betreft. Onder meer omtrent het te eenzijdig
medicamenteus benaderen van deze vorm van lijden. Psychisch lijden kan zeer
uiteenlopende vormen aannemen. Daardoor bevindt de medische wereld zich
dikwijls voor zeer complexe verschijnselen die medici machteloos kunnen maken
en hen voor de vraag zetten: welk medicijn moet ik geven, hoe gaat hij werken?
Ik ben bang dat een te
eenzijdige medische weg patiënt, hulpverleners, familiale omgeving, goede
vrienden, collegae en maatschappij doen vergeten dat het hier gaat om psychisch
lijden dat we ziekte zijn gaan noemen.
Omdat we niet goed meer
weten hoe we onze medemenselijkheid en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid
bij verdriet en lijden vorm moeten geven. We individualiseren en medicaliseren
(hier is niet alleen medicatie bedoeld !!) de hulp volledig.
Een opname ontneemt veel
te vaak de familie en de patiënt alle verantwoordelijkheid en veroorzaakt veel
eenzaamheid bij de patiënt en zijn familie.
Een opname maakt te vaak
van een crisissituatie een ziekte, een individuele ziekte. Of: een opname
stabiliseert een crisis in een ziekte.
Maatschappelijke aspecten
van een opname
Ik denk hierbij aan een
aantal crisissituaties waar men bij opname aan de familie zegt voorlopig (en
dat duurt soms weken) niet op bezoek te komen. De patiënt wordt er - zegt men
dan - te opgewonden van of te opstandig.
Maar wat dan meestal ook
niet gebeurt (naast het niet op bezoek mogen komen) is dat de partner, de
kinderen, de broers, de zussen uitgenodigd worden (tijdelijk dan apart van de
patiënt) om samen te verkennen hoe bet allemaal gelopen is en hoe er door
iedereen gedacht en gesproken wordt over de situatie.
Het is aangewezen om
tijdens een crisisperiode informatie op te doen vanuit de familie, maar niet in
de vorm van een klassieke anamnese met vragen stellen. Men moet veel eerder de
informatie laten circuleren onder elkaar en met jou. Je wordt zo in het systeem
betrokken door de verschillende familieleden. Hoe doen ze dat en hoe voel je
jezelf betrokken worden raken in dit systeem.
Als een patiënt weigert
zijn familie te ontmoeten, moet je hem uiteraard niet dwingen. Maar je moet je
als hulpverlener ook niet laten dwingen om geen kontakten en gesprekken met de
familie en verdere omgeving te organiseren.
Het belang van die
ontmoetingen, waarbij de informatie circuleert, is dat je leert hoe een koppel,
een gezin, een zoon (om maar iemand te noemen) met zijn broers en zusters en
zijn ouders zich organiseren. Wat ze ervoor doen om met hun conflicten om te
gaan, of ze die oplossen of dat ze door de manier van oplossen eigenlijk weer
een nieuw probleem scheppen. Belangrijk is hier dat je als therapeut niet
betweterig tussenkomt of bevoogdend. Een heel centraal gegeven binnen elk
denkmodel is de problematiek rondom de diagnostiek. Ik kom hier later op terug.
Ziekte en Gezondheid
(maatschappelijke aspecten)
Ik merkte al eerder op dat
er een groot gevaar ontstaan is toen men Lijden ziekte is gaan noemen waardoor
men lijden is gaan privatiseren, individualiseren. De maatschappelijke dimensie
dreigt daardoor volledig over het hoofd gezien te worden. Engelse onderzoekers
hebben aangetoond dat mensen met weinig vorming of onderwijs, vier maal meer
ziek worden dan mensen met een hogere vorming en met hoger onderwijs. Men neemt
aan dat fysische ziektes met psychische factoren te maken hebben.
Stress is een belangrijke
factor die ‘ziekte’ veroorzaakt, stelt men. Nu is het zo dat men in alIe Iagen
van de bevolking met stress te maken heeft. Alleen niet in alIe lagen van de
bevolking heeft men evenveel mogelijkheden om iets aan die stress te doen. Er
is bewezen dat niet zozeer de stress ziekte veroorzaakt, dan wet het gevoel, de
ervaring, de overtuiging dat men maatschappelijk geen invloed heeft om iets aan
die stress te doen.
Laten we nu eens het
zogenaamde stresskwetsbaarheidsmodel bekijken, waarbij men vooral probeert
mensen ertoe te brengen nogal wat zaken te laten (studies, baan, ja zelfs
huwelijk en gezinsleven) om niet onder te grote stress te komen. Zo rechtuit,
rechtaan wordt het natuurlijk niet gezegd, maar toch....
Volgens mij gaat het daar
eigenlijk niet om. Wel om de ervaring
en de overtuiging van patiënten dat men maatschappelijk en psychologisch geen
macht heeft om die stress te doen verminderen. Onmacht ten aanzien van
maatschappelijke gebeurtenissen stresseert meer dan de gebeurtenissen zelf.
Het
stress-kwetsbaarheidsmodel vooronderstelt teveel het mijden van situaties die
stress zouden kunnen geven. Wat je meer moet benadrukken is het leren omgaan
met stress. En als je met een gezin werkt moet je attent zijn op de
interactiestijl in dat gezin. Het gaat er minder om de ouders bv. te ‘leren’
niet in een ‘high expressed emotions-stijl te schieten (waardoor je bevoogdend overkomt, want je lijkt
te zeggen: pas op.. met uw broze kind moet u omzichtig omgaan) dan wel bij
escalerende emoties bv. tegen de vader te zeggen:
‘U
heeft zoveel vertrouwen in de band die u hebt met uw zoon dat u hem heel fel
durft aan te pakken. Dit is goed in een situatie waarin volgens u de zoon
precies ‘teveel’ moet incasseren.
Of
rechtstreekser nog, als een zoon als psychiatrische patiënt weinig inbrengt
tegen een nogal sterke aanval van vader: ‘Yvo, je vader is fel en hij verwacht
ook felle reacties. Doe maar, zeg wat je wilt’.
Of nog:
in een situatie waar en vader en zoon dichtbij het schelden zijn, kun je goed
duidelijk en met een zekere humor zeggen: ‘Wel, wel, sterke persoonlijkheden
die alle twee tegelijk willen dat de ander luistert naar zijn argumenten. Wacht
even, want ik ben niet goed meer mee’.
Of:
‘Uw zoon hecht heel veel belang aan overeenkomsten met u, daarom discussieert
hij ook heel fel’. En aan moeder die bv. heel stil het wapengekletter heeft
gevolgd, misschien met enige afkeuring: ‘Zo mevrouw, dit hebben we gehad. Die
twee kunnen stevig tekeer gaan. Maar ze zijn kennelijk belangrijk voor
elkaar’.
Leren omgaan met stress
is een gezondheidsmodel.
Vermijden van stress is
een ziektemodel een
medisch—psychiatrisch model. Maar om te leren omgaan met situaties die stress
veroorzaken moet je ook aan het zelfbeeld van mensen werken.
Een zelfbeeld, en je beeld
over de wereld, construeer je min of meer correct, doorheen je bestaan. Als dat
beeld over de wereld er bijvoorbeeld één geworden is van onmacht, een ervaring
van marginalisering, een geschiedenis van plaatsing van de ene generatie op de
andere, een geschiedenis van onzeker werk, een geschiedenis van tussenkomsten
van het comité voor bijzondere jeugdzorg of van jeugdrechtbank, dan is er
sprake van stress die ook woede veroorzaakt, wantrouwen of schijnbaar pure
onverschilligheid. Denk aan een deel van ons cliënteel in de psychiatrie en de
bijzondere jeugdzorg!
Mensen die zich regelmatig
als slachtoffer beleven van en in deze maatschappij moeten ook met een
maatschappelijk-therapeutisch model benaderd worden. Dat betekent dat je ze
methodes moet proberen te geven om die stress te doen afnemen op de plek waar
hij ontstaan is, methodes die rekening houden met de context. Centraal hierbij
is dat heel wat mensen, gemarginaliseerd of niet de maatschappelijke, hulpverlenende
tussenkomst niet noodzakelijk als een hulp ervaren. Het wordt hen dan in hun
ogen opgedrongen.
Deel II: Lijden aan zijn
betrekking met de wereld
Iedereen die onze hulp
inroept schrijft Watzlawick, lijdt op de een of andere manier aan zijn betrekking
met de wereld. Ik zou daarbij zeggen: trouwens ook degene die niet expliciet onze hulp inroept.
Iedereen die meer of minder zichtbaar lijdt, lijdt aan zijn betrekking met de
wereld. Hij Lijdt aan zijn beeld van de wereld, aan de onopgeloste tegenstelling
tussen de dingen zoals ze zijn en hoe ze volgens zijn wereldbeeld zouden moeten
zijn.
Denken en Kijken
Eigenlijk begint hier het
tweede deel van mijn lezing. Het gaat over de keuze van het model en de
specifieke kenmerken ervan.
Voor welk psychotherapeutisch
model heb ik gekozen?
Ik denk dat, met de nadruk
die ik legde op de maatschappelijke gegevenheid, u wel begrijpt dat ik opteerde
voor een sociologisch model. Dat houdt in: een systeemgericht kader van denken,
kijken en handelen (gedrag en tussenkomsten).
Het betekent dat men naar
mensen kijkt in hun onderlinge organisatie. In kleine organisaties zoals een
koppel, een gezin, een familie. En ook hoe die kleine organisaties (systemen)
omgaan met grotere systemen zoals scholengemeenschap, buurt, werkmilieu. En hoe
die grotere systemen zich organiseren, hoe politieke of religieuze ¨groepen op
hun beurt met beïnvloeding omgaan.
Men kijkt naar mensen,
Iuistert naar hoe ze zich organiseren om te leven, om te overleven, om te
evolueren.
Een therapeut probeert
aandachtig te zijn op hoe de systeemleden hem in hun midden betrekken en hij
heeft ook aandacht voor de manier waarop hij zichzelf in hun systeem betrekt.
Er is immers een grote mate van zelfbetrokkenheid en van intersubjectiviteit.
regels
Als je in een
therapeutisch proces bezig bent, moet je ook zicht hebben op de relationele
processen die zich tussen mensen afspelen. Als mensen zich organiseren met een
gemeenschappelijk doel en voor een langere tijd om te leven, om op te voeden en
affectie te delen, zoals een koppel, een gezin en om te werken zoals een team,
ontstaan er ook gewoontes van omgang met elkaar, ontstaan er in hun relationele
uitwisselingen ook expliciete en impliciete patronen (organisatieregels): zo
doen wij dat.., zo doen wij dat bij ons
niet...
Men hoort bijna expliciet
gewoontes van denken, gewoontes van kijken en oordelen en beoordelen, gewoontes
van handelen. Mensen hebben behoefte aan voorspelbaarheid en creëren die onder
meer (onbewust) door die regels. Het is van levensbelang dat mensen van alles
naar elkaar uitwisselen waardoor ze elkaar onder andere bevestiging geven. Als
je bevestigd wordt, voel je daar de betekenis van voor je leven, voel je dat je
bestaat in de ogen van de ander.
het kennen van processen:
systeemgericht kijken veronderstelt eerst een theorie
over hoe we aan “kennis” komen. Het is een metamodel.
Hoe kennen we die interactieprocessen? Door ze te beschrijven. Dat is
een manier.
- Maar welke betekenis geven we
aan onze beschrijving, hoe kleuren we onze
beschrijving? Met andere woorden: hoe nemen
wij waar?
- Welke betekenis geven we
vervolgens aan de kennis die wij opdoen door onze
beschrijvingen?
In de vorige eeuw was de
opvatting dat een wetenschappelijk theoretisch model pas wetenschappelijk was
als het voor alle gebieden van de wetenschap toepasbaar was. Daarom kreeg de
term ‘objectief’ zo’n absolute waarde. Zelden werd de nadruk gelegd op bet
onderscheid dat gemaakt moet worden tussen de zuivere wetenschappen en de
menswetenschappen.
Als je zuivere
wetenschappen bedrijft kun je je meer eenzijdig richten op de beschrijving van
wàt je ziet. Er is verschil tussen de beoefenaar en bet bestudeerde object.
Als je met
menswetenschappen bezig bent kun je aan de vraag niet ontkomen van: hoe kennen
wij? De reden? Omdat het object en de beoefenaar van deze lenswetenschappen
dezelfde zijn. De observator en de geobserveerde behoren tot dezelfde
categorie: de mens. Michel Foucault benadrukt dat er sprake is van
machtsmisbruik als een persoon van subject tot object wordt gemaakt van
andermans beschrijving.
En ik herhaal: als je
inderdaad beseft dat de observator, de theoreticus, de therapeut een mens is
zoals de geobserveerde een mens is, kunnen we niet meer spreken over het object
van onze observatie. We zijn allen subjecten onder elkaar. We zijn allemaal
mens. Daarom spreken we liever over intersubjectiviteit. En dit is echt geen
Wortspielerei.
De wijze waarop wij denken
over cliënten en hun problemen wordt bepaald door ons cultureel milieu, onze
eigen overtuigingen, onze ‘mythen’: de zaken waarin wij geloven. Maar vaak
zonder ze te bevragen. Onze zeer serieuze theorieën over mensen en over
pathologie blijven onze hypothesen.
Als we een lezing van
zaken voorstellen, een manier van kijken, een theorie, en we zijn er echt
van overtuigd dat onze werkhypothese ‘juist’ is, dan nog moet onze hypothese
falsifieerbaar zijn.
Falsifieerbaar betekent
dat ik met mijn cliënten altijd zal spreken over vermoedens in de stijl van: ik
kan me voorstellen dat... en de cliënt kan me dus altijd tegenspreken. Ik heb
erg veel moeite met theoretici en therapeuten die aan hun patiënten vertellen
dat zich allerlei zaken in hun onbewuste afspelen en dat volhouden, zelfs als
de patiënten er niets van herkennen. Daarvoor heeft die therapeut dan weer een
andere verklaring: de patiënt ontwikkelt weerstanden.
Wat voor waarheidsgehalte
heeft dit dan wel?
Als u over bet onbewuste
van iemand spreekt, doet u als buitenstaander een uitspraak over de
niet-zichtbare binnenkant van een ander. Het is dus minstens een hypothese. En
een hypothese is uit de aard van de definitie waar noch onwaar.
Als ik zelf spreek over
mijn onbewuste, doe ik een puur abstracte uitspraak. Alsof ik een binnenkant
heb waar ik me niet bewust van ben, maar waar anderen wél uitspraken over
kunnen doen, hoewel mijn binnenkant voor hen niet zichtbaar is.
Systeemgericht kijken
heeft er bij mij toe geleid naast een empatische betrachting heel sterk bezig
te zijn met een parallelle bevraging van mezelf tijdens de gesprekken:
·
Met welke ‘waarheden
werk ik, hoe zijn ze ontstaan en voor hoelang geldeu ze? Hoe is deze betekenisgeving
ontstaan en hoe ga ik er mee om als ik met cliënten ben die heel andere normen en
waarden hanteren dan ik. Hoe zijn hun ‘waarheden’ ontstaan?
·
Welke betekenis geven
cliënten aan gebeurtenissen die ze beschrijven?
Dit is dus een heel ander
soort deskundigheid van de therapeut. Tegenwoordig noemt men dat een meer
‘postmoderne’ houding tegenover de moderne, objectief wetenschappelijke houding
die we tot in de jaren ‘60 vooral erg nastreefden.
Traditioneel
psychologische en psychiatrische standpunten waren ingebed in het kader van het
modernisme. In dit kader werden verschillende theorieën over personen en
gezinnen als potentiële waarden gezien. Men zou kunnen stellen dat het geheel
van de psychiatrische ziekteleer geen weerspiegeling is van de externe
werkelijkheid, maar de uitdrukking van onze huidige cultuur en dus een
momentopname in de cultuurhistorische ontwikkeling.
Ik citeer hierbij Gaines,
een Amerikaanse psychiater die een studie geschreven heeft over de culturele
evolutie van DSM I tot DSM III R en DSM IV. (DSM is de gids voor de ziekteleer
in de psychiatrie.
Strong wijst in Family Process op de restrictieve effecten van deze gids. Hij schrijft dat in de nieuwe, herziene versie de
definitie van geestelijke gezondheid nog altijd bepaald
wordt door
maatschappelijke denkbeelden over wat afwijkend of abnormaal is zonder dat deze
denkbeelden als sociale constructies ter discussie worden gesteld. Zijn eigen
denkbeelden bevragen als zijnde sociale constructies van de tijd en het milieu
waarin wij leven is een meer sociaal~constructionistische houding waar ik voor
pleit bij de systeempsychotherapeuten.
Samenvatting
Mijn subjectieve keuze
voor psychotherapie gaat
1)
naar mensen onderling
2)
naar processen van wederzijdse beïnvloeding binnen een tijdsverloop
3)
naar het belang van de culturele en sociale milieus waar men toe behoort of zich toe rekent.
4)
Tevens hecht ik belang aan de onderlinge bevestiging die mensen elkaar al dan niet geven.
Van daaruit keek ik - naar
mensen die bij moeilijkheden beroep doen op hulpverleners of orde handhavers
En naar mensen aan
wie hulp of interventie opgedrongen wordt (help, ik word geholpen!!). Dit was
het gedeelte waar we aandacht hadden voor de hulpverleningssystemen en de
cliëntsystemen. Daar komen woorden als objectiviteit, realiteit,
werkelijkheidsconstructen - of de betekenis die we aan de werkelijkheid geven,
steeds terug.
Hoe werken we nu met al
die inzichten?
We beginnen met waarmee ik
net eindigde. DSM IV is het boek omtrent diagnostiek -ziekteleer. Dat boekje
bepaalt eigenlijk wat normaal is of abnormaal, wat afwijkend is en wat niet. Ik
heb denk ik voldoende de nadruk gelegd op het belang van het niet individugericht
diagnosticeren. Maar ook individuele cliënten en/of familie, of ze nu
vrijwillig of gedwongen komen, hebben steeds een eigen diagnose, een lezing,
een specifieke analyse van de situatie. Zo is het gekomen!!
Of: ‘Het is altijd zo
geweest. Hij is altijd moeilijk geweest, zwijgzaam, rebels, maar nu hij die
kameraad heeft’ (anderen zijn de oorzaak).
Of: ‘Ik weet helemaal niet
hoe dat zo gekomen is’. Dit is evengoed een lezing met als inhoud: het overkomt
me, ik kan er geen zin in vinden.
Of: ‘Wat wilt u, we worden
buiten gekeken op de school van de kinderen. Ze vinden ze niet goed genoeg
gekleed. Onze kinderen gaan met botten naar school en andere kinderen klagen
dat hun voeten stinken. Wat denken ze daar wel? Daarom gaan onze kinderen
vechten’.
Dit is hun diagnose, hun
kijk op de realiteit.
Ze geven een opeenvolging
van gebeurtenissen die de oorzaak van hun miserie (psychische problemen) zijn.
Cliënten geven ook aan in
welke volgorde de problemen zich voordeden om jou te zeggen hoe het zit. De
ouders: omdat onze zoon zo raar deed zijn we hem gaan controleren;
Terwijl de zoon zou
zeggen, ik moest dingen gaan verbergen, want mijn ouders controleerden mij
voortdurend.
Een ander voorbeeld:
Een man: ‘Mijn vrouw was zo vaak dronken, terwijl ze het
huishouden verwaarloosde, dat ik Iiever thuis zo lang mogelijk wegbleef. Ik ben
aan sport gaan doen en heb toen veel nieuwe mensen ontmoet. Tja, toen is mijn
vrouw heel jaloers geworden’.
De vrouw:’Ik was zo
eenzaam. We waren net verhuisd, ik kende niemand en we wonen nogal afgelegen.
Hij was al de hele dag weg en toen begon hij ook nog ‘s avonds heel veel weg te
gaan’.
Als je de informatie van
de verschillende Ieden van een systeem op circulaire wijze tracht te
verkrijgen, krijg je uiteraard een andere volgorde van de problemen. Niet meer
eerst A en dan B.
Wat je kunt vermoeden is
dat hun actuele, verschillende diagnoses hen blokkeert om uit de problemen te
komen of hen met elkaar in conflict brengt.
Maar zij denken (terwijl
ze vertellen) dat ze dé werkelijkheid beschrijven, terwijl ze in feite alleen
de betekenis die ze aan die werkelijkheid geven, meedelen.
Een paar voorbeelden van
Her-talingen en Herkadreringen
1. Een jonge vrouw, pianiste, spreekt over haar moeite
met de eenzaamheid.
Ik
heb haar ongeveer het volgende gezegd: ‘Eigenlijk heb je veel te bieden en dat
zou je willen delen met anderen’.
Commentaar:
deze bewoording biedt meer toekomst zonder de eenzaamheid te negeren. Het
accent ligt op wat ze wél in zich heeft, terwijl haar uitspraak meer nadruk
legde op wat ze miste.
2. Ouders over hun oudste zoontje, toen hij tijdens zijn
lagere schooltijd voor astma in een preventorium moest verblijven, terwijl zijn
ouders en zijn broertje in Afrika bleven wonen. Moeder zegt: ‘Hij klaagde
eigenlijk nooit als hij ons zag, maar hij was erg gesloten’. Ze vertelde dit
ergens in een reeks van beschrijvingen die wezen op de moeilijke bereikbaarheid
van bun zoon.
Ik heb toen gezegd:
‘Eigenlijk...door zich dapper te gedragen, maakte hij het mogelijk dat u met uw man in Afrika kon blijven
werken en wonen’.
Moeder had me net
verteld dat ze toen eigenlijk voor haar koppel zijn had gekozen en daarom in
Afrika bleef al was de zieke zoon in België.
Beide ouders hadden
nog nooit zo naar het gedrag van hun zoon gekeken. Het deed ze wel echt goed.
Deze herkadrering, het gedrag van de jongen anders belichten en dit effect
ervan aangeven, zorgde ervoor dat ze zijn geslotenheid als dapperheid kunnen
beschouwen. Wat ze ook deden.
3.
Een man van 30 jaar
schaamt zich ervoor dat hij regelmatig naar prostituees gaat. ‘Dit zou ik niet
moeten doen. Zo kom ik nooit tot een echte relatie, ik ben zo zwak’.
Mijn reactie: ‘Uw
vader is niet lang geleden overleden, u vertelde me dat al. U weet ook hoe
pijnlijk het verlies voor uw moeder is. U probeert vaak voor haar een steun te
zijn. U gaat vaak naar haar toe ondanks uw drukke baan. Is het niet zo dat u,
nu u nog geen ruimte hebt om een diepgaande relatie te beginnen, u bij
prostituees gaat, voor wie contacten professioneel zijn. Het getuigt toch wel
voor het respect dat u hebt voor een relatie met een vrouw waar u nu eigenlijk
nog geen tijd voor hebt’.
Zijn realiteit (de
betekenis) is: naar prostituees gaan is een zwakheid en ook beschamend. Wat ik
probeer, is hem andere mogelijke betekenissen voor te stellen met respect voor
hem en zijn geschiedenis. Ik gebruik er die
elementen uit die nu nog aan de orde zijn: zijn moeder net weduwe en hij de
zoon die haar steunt.
Deze voorstellen maak
je vanuit een niet-hiërarchische positie. Zoiets als: laat ons samen nadenken,
samen met zijn elementen een nieuwe lezing ontdekken.
4. Een jonge
vrouw die heel lang een zeer moeilijk contact heeft gehad met haar vader, omdat
ze zijn gedrag niet anders kon ervaren als pestend en kwetsend, wilde wel eens
achter die façade kijken. Vroeger haatte ze haar vader. Nu ze wat ouder was,
werd het contact iets beter. Moeder had haar ooit verteld dat vader eigenlijk
geen kinderen wilde, terwijl moeder zelf wel kinderen wou. (Toen dus, 30 jaar
geleden) .
Ik heb toen gezegd:
‘Alsof je vader het leven niet wilde, het leven niet durfde door te geven,
terwijl je moeder dat heel graag meer had willen doen. Misschien kun je eens
met humor (vader en dochter hebben zin voor humor gemeenschappelijk) in je stem
vader vragen of hij nu wél tevreden is dat hij zo’n volwassen dochter heeft,
die wel eens aan hem denkt en op bezoek komt?’
De idee hierachter:
geen kinderen willen wordt hervertaald als: het leven niet willen of durven
doorgeven. De met voor haar met bijna hypnotische kracht geladen zin ‘je vader
wilde toen geen kinderen’ wordt omgewisseld voor: het nu hebben van een
volwassen dochter. En of het hebben van zo’n dochter ook niet interessant is?
5.
Nu volgt een wat
langer uitgewerkt voorbeeld (genogram, zie op het bord).
Het gaat over een man
van 38 jaar, ingenieur - primus perpetuus op de middelbare school
kon niet goed kiezen
wat hij verder wilde studeren. Werd dan toch maar ingenieur maar was er maar
matig door geboeid.
Getrouwd met een
enthousiaste en impulsieve vrouw, ook universitair en zeer betrokken op haar
werk. Ze hebben 2 kleine kinderen.
Zo op het eerste
gezicht hebben ze geen noemenswaardige problemen, tenzij dan dat man, en vrouw
hoe langer hoe meer verschillend worden. Hij is stil en vriendelijk maar neemt
geen initiatief tot gesprek of tot het bepraten van onderwerpen, heeft ook geen
behoefte aan vakantie, maakt geen
plannen, praat niet over zijn werk, luister wel (geduldig) vreest ze naar de
verhalen van zijn vrouw over haar soms heel moeilijke werk.
Hun
verschillen escaleren. Hij blokkeert en vindt zichzelf dan helemaal leeg, weet
zelfs helemaal niet meer wat hij denkt over iets, Iaat staan wat hij zou
voelen.
Zij wordt radeloos,
roept, schreeuwt, weent, dreigt dat zij hiermee niet meer kan leven, dat ze
kapot gaat aan zijn niet reageren. Hij voelt zich hierbij volledig verlammen.
Ik heb afwisselend
individueel met hen gewerkt en samen.
Bij ieder apart hielp
ik vertellen over eigen gezin van herkomst en over het gezin waar de partner
van kwam. Waarbij ik vooral verkende welke de hoofdboodschappen leken gegeven
te zijn in hun twee gezinnen.
·
Bij de vrouw: vader
militair, nogal streng en principieel. Moeder huisvrouw (5 kinderen te verzorgen), nogal milde vrouw
en erg inlevend. Iedereen moet studeren. Er wordt veel gediscussieerd aan
tafel, nogal erg controversieel.. Als jongste kind heeft zij geleerd duidelijk
haar plaats te nemen in de club! Ze had heel plezierig contact met moeder en
zussen en die ook met elkaar. Een heel gezellige vrouwenbende.
Het
contact met vader is nu iets warmer, sinds hij de grootvader van haar kinderen is.
·
De man. Ik moet wat
langer bij de familie van de man stilstaan omdat ik merkte hoeveel moeite hij
had daar uberhaupt iets over te vertellen. Ik was gepuzzeld door die grauwe,
een beetje nietszeggende sfeer die hij beschreef of weergaf. Zo van: tja, zou
het de moeite zijn om daar iets over te vertellen?. Een soort ‘plat’ verdriet
of nog niet eens verdriet. En toch.. Hij kwam steeds, helde nooit af terwijl
hij toch niets dwangmatigs had of overdreven volgzaams.
Deze jonge vader was
zelf een nakomer ,14 jaar na zijn broer die vrij snel op kot ging en unief
deed. Hij was nog maar 4 jaar toen zijn broer al heel weinig thuiskwam. Bij dit
gezin leefden de grootouders en wel vanaf het huwelijk van hun zoon, de vader van
mijn cliënt.
De moeder van mijn
cliënt was de oudste van drie. Haar broer en zus waren veel jonger en zij waren
wees. Bij het huwelijk van de vader van mijn cliënt met hun oudste zus (de
moeder van mijn cliënt) trokken zij ook bij hun zus in en dat voor een zestal
jaren.
Vader en moeder van
mijn cliënt begonnen hun huwelijksleven ten dienste van zijn ouders en de broer
en zus van zijn vrouw. Zonder privacy dus. Na het vertrek van de broer en de
zus van de moeder, voelde de moeder zich hoe langer hoe meer gevangen in haar
(was het dat wel?) eigen huis. Ze vroeg, nee smeekte haar man zijn ouders
elders te installeren. Maar grootvader weigerde. Dat zou mijn dood zijn, zei
hij tegen de ouders van mijn cliënt. Dus bleef het zo.
Enkele
jaren later werd mijn cliënt geboren. Hij was lief, stil, intelligent, gaf
nooit een probleem. De grootouders stierven toen mijn cliënt adolescent was.
Toen hij 22 was stierf zijn vader aan kanker en mijn cliënt herinnert zich heel
helder dat zijn vader voor zijn sterven zei: ‘Het leven is de moeite niet
waard’. Weer zo ‘n zin met een hypnotische kracht: pijnlijk, gelaten,
definitief voor degenen die verder moesten leven.
Tijdens dit verhaal
ben ik natuurlijk tussengekomen en onder meer heb ik gezegd: ‘Wat moest dat
pijnlijk klinken voor jullie, je moeder, je broer en voor jou. .Je vader leek
zozeer bezig met zijn verleden, met hoe hij tegen zijn eigen verlangen in en
tegen het verlangen van zijn vrouw, toch steeds zijn ouders bij zich had
gehouden; Toen je vader voelde dat hij ging sterven was hij niet echt met het
hier en nu, met jullie. Hij had vooral spijt over wat het geweest was voor hem
en impliciet ook voor jullie. Die boodschap hoor je er wel in doorklinken. Hij
had het graag anders gewild voor jullie allemaal’.
Mijn cliënt praatte wat
verder’ over’ zijn vader en moeder bv
dat zijn moeder (nu 80)hem onlangs
een kaart had gestuurd voor zijn 38ste verjaardag. Zij schreef dat hij altijd haar zonnetje was geweest.
Hij vond dat maar kinderachtig en ongeloofwaardig.
Ik plaatste die
uitspraak van moeder over hem in de context van de betekenis van zijn geboorte
voor zijn ouders, toen, bij die grijze grootouders en zoveel jaar na de
geboorte van zijn broer.
Hij antwoordde: ‘Ik
heb eigenlijk nooit gemerkt dat ze dat van mij vonden’.
Ik: ‘Ze hadden in jouw
gezin niet geleerd om te verwoorden wat ze fijn vonden. Stil en verdraagzaam
zijn, niet opscheppen met hun zoon of met wat ook. Zeer toegewijd en zwijgzaam,
weinig contacten met buiten of met de schaarse familie, geen uitgesproken meningen
uiten. Alles wel heel anders dan bij je vrouw thuis’.
Hij beaamde dat meteen.
Hij zei toen dat slagen op school gewoon was, dat hij nooit verwijten kreeg
maar ook nooit complimenten. In het Frans spreek je over’ les families lisses.
De vrouw van mijn cliënt
had mij verteld dat haar schoonmoeder haar eens verteld had dat haar man, de
vader van mijn cliënt dus, meer dan eens tegen zijn vrouw zei: ‘Ik ga boven
werken in de kamer naast onze zoon; dan is hij tenminste niet zo alleen tijdens
het studeren. Dit was voor mijn cliënt een heel mooi moment. Maar hoe
onrechtstreeks kunnen mensen toch zijn zelfs in eigen gezin.
U kunt nu misschien zien
hoe wij samen uit die grauwheid kwamen, hoe meer kleur en levendigheid hij
krijgt. Hij (het zonnetje van zijn moeder) werd spraakzamer, zijn vrouw
voelde zich actiever
beluisterd en ze kunnen nu meer samen delen. Zij zegt dat ze er rustiger van
wordt.
Uiteraard komt het
onderwerp kinderen ter sprake en het nu. Maar in deze situatie vond ik dat hun
verleden veel invloed had. En dan niet zozeer één traumatische ervarring in het
verleden, dan wel al hun omgangsgewoontes, hun stijl van interacties, hun
manier van tegen het leven aankijken.
Ten Slotte
Wat is nu, na alles wat ik u gezegd heb,
psychotherapie, begeleiding?
Misschien zal ik wat te
schematisch zijn en niet genuanceerd genoeg, maar toch:
wat mij nauw aan het hart
ligt is het volgende:
Het compartimenteren van de hulpverlening en het individualiseren ervan.
En men subsidieert
eveneens in compartimenten.
Je hebt eerste Iijn -
tweede lijn - derde lijn in de geestelijke gezondheidszorg. Tussen die sectoren
is geen vlotte communicatie. Men verwijst niet gemakkelijk. Als een cliënt van
sector verandert (bv van 2e lijn naar 3e lijn voor opname) hoor je er vaak
niets meer over. Zeer zelden komt iemand van de 2e lijn (GGZ dus) een cliënt
voorstellen in een teamvergadering van de 3e lijn (psychiatrie dus). Ook
andersom gebeurt het zelden of niet. Men nodigt elkaar ook niet uit;
Er is ook een nauwelijks
verhulde gradatie.
1ste lijn: er is dus
zoiets als: eerste lijnwerkers doen aan begeleiding. Bv levensmoeilijkheden.
JAC.
2 de lijn: daar is men
meer gespecialiseerd. Hier moeten de hulpverleners vaker een langere opleiding
gehad hebben. De drempel is hoger, de cliënten moeten zelf gemotiveerd zijn en
men zal er dieper mee werken. Men werkt zelden met een crisis, er zijn wachtlijsten.
Eerste lijn is dus zoals gezegd begeleiding. Het is
geen psychotherapie. Je moet er niet gespecialiseerd voor zijn, je moet
immers niet zo ‘diep’ gaan!
Welke problematiek krijg
je dan bij de eerste lijn? Welke mensen? Het is laag drempeliger, dus eerder
meer vierde wereld mensen? Minder begoeden? Cliënten met meer angst? Met minder
motivatie? Wat motivatie hier ook moge betekenen!
Derde lijn: opname in een
PAAZ (psych. afdeling van een algemeen ziekenhuis) of in een psychiatrische
kliniek.
Hier komen de mensen
ondermeer voor crisisopvang of voor heropnames. Hier hebben we te maken met een
sterke tendens tot individualisering en medicalisering van de problemen en hier
gebeurt weinig of geen psychotherapie. Er is een materiële opvang, een sociale
en administratieve hulp en verder een dagstructurering en allerlei
verschillende bezigheden. Plus niet te vergeten een gedwongen groepsbehandeling
van de patiënten waarbij het natuurlijk milieu van deze mensen bijna altijd
volledig op de achtergrond blijft.
Dit zijn de drie lijnen.
Daarnaast hoort er bij de compartimentering van de
hulpverlening de bijzondere jeugdbijstand, die trouwens enorme pogingen doet om
niet of niet meer in die individualisering te vervallen. Dit met behulp van de
thuisbegeleidingsdiensten en de dagcentra. Deze dagcentra zouden naschoolse
opvang met gezinsbegeleiding moeten heten.
En met behulp van de
oriëntatie - observatiecentra die ook heel veel energie steken in de gesprekken
met de ouders, de school, de buurt. Vele werkers zouden het gezinsbijstand
willen noemen in plaats van jeugdbijstand.
Welnu: deze hulpverleners
doen zogenaamd niet aan psychotherapie maar aan begeleiding bij opvoeding.
Ik zie niet in waarom men
hulpverleners meer of minder (minderwaardige?) psychotherapeutische opleiding
zou moeten bieden naargelang de sector waarin ze werken. Is een onderscheid
tussen psychotherapie en begeleiding niet kunstmatig?
De hulpverleners die aan
huis gaan - en in de bijzondere jeugdzorg kiezen ze, terecht denk ik, voor deze
benadering - moeten beschikken over zeer verscheiden therapeutische
vaardigheden. Ze moeten zich nog meer dan degenen die in hun bureau ontvangen,
zeer soepel kunnen gedragen, zich snel aan kunnen passen, in kunnen voegen en
tegelijkertijd zeer aanwezig en respectvol zijn. Ze hebben geen collega’s ter
plaatse (zoals bv in een kliniek). Ze kunnen echt niet zomaar aankomen met een
pedagogisch advies of met een andere aanpak. Dit zou hen niet dikwijls in dank
afgenomen worden. Ze moeten dus vertrouwen wekken, motivatie doen ontstaan bij
vaak zeer gekwetste mensen, die ook nog dikwijls dit soort bemoeienissen
opgedrongen krijgen (bv door het gerecht).
En over derde lijnswerkers
kan ik uit ervaring nog zeggen dat er oneindig veel deskundigheid,
menselijkheid, respect en soepelheid wordt gevraagd en specifiek van
psychiatrisch verpleegkundigen. Zij moeten dag in, dag uit met patiënten
omgaan, individueel of in groep. Ze bevinden zich in allerlei zogenaamd
niet-psychotherapeutische situaties met patiënten, ze moeten de telefoons
opvangen van verontruste of kwade familieleden, ze moeten vaak ook tussen de
‘partijen’ in zitten: tussen patiënt en familie, tussen patiënt en dokters,
tussen patiënten die elkaar soms ‘te lijf’ gaan.
Ik heb nu specifiek uw
aandacht gevraagd voor die twee groepen hulpverleners: opvoeders en
psychiatrisch verpleegkundigen.
In de 16 jaar dat Ik in de
psychiatrie gewerkt heb, heb ik uiteraard ook grote waardering gevoeld voor de
maatschappelijk werkers en de ergotherapeuten, en natuurlijk ook voor mijn
directere collega’s de psychologen, psychotherapeuten en psychiaters.
Toch heb ik me niet
speciaal met hen bezig gehouden in dit verhaal omdat voor hen
psychotherapeutische opleidingen spontaan open staan, wat niet het geval is
voor die anderen.
Ik dank u.
Denise Everaert
psychotherapeut en opleider