Lezing 9/02/01 Forum
psychotherapie: Franky De Meyer
Drie
jaar geleden was ik hier aanwezig in deze zaal en luisterde naar een lezing van
een onderzoeker van het Trimbosinstituut (een nederlands onderzoeksinstituut
ivm alle mogelijke aspecten van de gezondheidszorg). In zijn lezing sprak hij
over onderzoeksresultaten die toonden dat door maatschappelijke evoluties op
veel verschillende vlakken,
hulpverleners uit de geestelijke gezondheidszorg met een enorm veranderende
verscheidenheid aan problematiek geconfronteerd zouden worden. Hierdoor
vervaagt de duidelijkheid over wie wat nu wel en niet mag doen. Hij was er van
overtuigd dat dit voor de nodige discussies tussen de verschillende
beroepsgroepen zou gaan zorgen. Hij sprak daarnaast de hoop uit dat de verschillende
beroepsgroepen die binnen de geestelijke gezondheidszorg werkzaam zijn hierover
tot een constructieve dialoog zouden komen en het vervagen van de grenzen ook
zouden kunnen toelaten.
In
een veranderend hulpverleningslandschap is het logisch dat een eerste reflex
een behoudsgezinde reflex is.
We
hebben vaak allemaal wat de neiging om te behouden wat er is, en verandering noga sceptisch te bekijken.
Toen
had ik niet gedacht dat ik drie jaar later hier voor jullie zou staan om het
precies daarover te hebben. Ik hoop dat wat we hier vandaag doen een bijdrage
kan zijn om mekaar te vinden en constructief in dialoog te gaan.
Vooraleer
een bestaande voorbeelden wat dieper uit te werken misschien voorafgaand toch
eerst nog dit:
Als we het hierover eens zijn dan missen we tot
hiertoe een fundamentele stem in deze discussie, namelijk de stem van de cliënten zelf. Ik moet eerlijkheidshalve
toegeven dat we er bij de organisatie van deze voormiddagconferentie ook niet
in geslaagd zijn om binnen de korte tijdsspanne die we hadden een manier te
vinden om dit op een deontologisch en etisch verantwoorde manier te
organiseren. Het lijkt mij echter fundamenteel belangrijk om dit alsnog te
doen. Het zal trouwens een eerste werkpunt voor onze vereniging zijn om
hierover een voorstel proberen uit te werken.
Een verdere illustratie van dit principe is trouwens
het europees onderwijs akkoord van Bologna dat oplegt dat er meer uniformiteit
dient te komen als het gaat over basisopleiding en dat verdere uitdieping moet
aangeboden worden in vervolgopleiding.
Maar
nu misschien wat stilstaan bij de praktijk,
wat heeft er A1 gediplomeerden gedreven om een psychotherapie opleiding
te volgen?
Was
het de behoefte om zichzelf psychotherapeut te kunnen noemen?
Was
het de idee hierdoor meer te zullen verdienen?
Was
het de idee hierdoor promotie te kunnen maken ?
Of
indien het dit niet is, wat is het dan
wel?
Om
hierop een aantal antwoorden te forumleren zou ik willen vertrekken vanuit de
bestaande organisatie van onze geestelijke gezondheidszorg. Alle sectoren
hierbij betrekken in 20 minuten is uiteraard onmogelijk. Daarom zou ik willen
proberen om één voorbeeld wat meer uit te werken, voorbeeld dat misschien exemplarisch kan zijn ook voor andere
sectoren.
Voorbeeld
1:
Vooraf
is het belangrijk te weten dat wat ik ga overlopen wat iemand doet geen enkele
vorm van kritiek of veroordeling inhoudt,
maar enkel een weergave is van een realiteit zoals die zich dagdagelijks
afspreelt.
Jongerenafdeling, onderdeel van een PAAZ.
Het
gaat over een afdeling die veertien bedden telt, er kunnen jongeren opgenomen worden van 15 tot 20 jaar. Het is
een afdeling waar de gemeenschappelijke noemer de leeftijd is en niet de
problematiek. Met andere woorden een heterogeen publiek. Het doel dat men zich
heeft gesteld is het aanbieden van een behandelprogramma , door het creëren van een therapeutische
omgeving. Met bij ontslag doorverwijzing naar verdere ambulante follow-up.
Laat
ons eerst kijken naar de personeelsomkadering,
dit volgens de wettelijke normen: zie slide 1
Als
we nu het praktisch verloop op deze afdeling bekijken, merken we het volgende:
De
psychiater komt dagelijks langs om te horen welke moeilijkheden er eventueel
zijn, die kort te bespreken en
eventueel kort iemand te zien. Daarnaast coördineert de psychiater de
overlegmomenten.
De
assistent – psychiater komt dagelijks langs om te zien of er moeilijkheden
zijn, neemt deel aan de overlegmomenten
en ziet een aantal mensen één maal per week. De assistent – psychiater
verandert om de 6 maanden en is vrij om te kiezen vanuit welke denkrichting hij
bijkomende opleiding volgt.
De
psycholoog neemt deel aan overlegmomenten,
geeft één groepsactiviteit per week,
doet testwerk en ziet een aantal cliënten één maal per week.
Daarnaast
zijn er de verpleegkundigen en de 0.5 sociaal verpleegkundige.
Op
deze afdeling zijn er 3 van de 7.5 verpleegkundigen die een psychotherapie
opleiding hebben gevolgd.
Deze
verpleegkundigen draaien mee in het team,
leiden een aantal groepsmomenten,
volgen zelf een aantal cliënten en hun familie en begeleiden de andere
verpleegkundigen mee in hun taak van individuele begeleider.
Waarom
hebben deze psychiatrisch verpleegkundigen een psychotherapie opleiding
gevolgd?
Als
je met deze mensen praat hoor je vooral dat het dagdagelijks verloop op de
afdeling en de behoefte hier op een therapeutisch verantwoorde manier te kunnen
op inspelen gezorgd heeft dat een aantal mensen een bijkomende opleiding hebben
gevolgd. Met andere woorden de dagdagelijkse realiteit en de behoeft om
kwalitatief therapeutisch met mensen bezig te zijn heeft er voor gezorgd dat
mensen zich bijkomend gaan bekwamen zijn.
De
dagdagelijkse realiteit van deze en van vele afdelingen is dat indien men een
therapeutisch klimaat wil scheppen het belangrijk is dat de mensen die aanwezig
zijn op de afdeling voldoende psychotherapeutisch geschoold zijn om dit ook te
doen.
Psychotherapie
aanbieden binnen deze sector betekent dus onder andere er voor zorgen dat het
dagverloop op een afdeling op zo’n manier georganiseerd is dat degenen die
continu aanwezig zijn ook een therapeutisch klimaat kunnen maken.
Of
is het zo dat enkel het gesprek met de psycholoog en de psychiater therapie
zijn en de overige 22 uur van de dag wat bezigheid betekenen?
Het
feit dat op deze afdeling een aantal verpleegkundigen psychotherapeutisch
opgeleid zijn betekent dat er een omgeving kan aangeboden worden waarin de
mogelijkheid tot verandering en welzijn van de cliënt zo groot als mogelijk
wordt gemaakt.
Er
zijn afspraken tussen de psycholoog en de psychotherapeuten over wie wat doet.
De psycholoog doet aan testonderzoek,
de psychotherapeuten proberen dan samen met de andere verpleegkundigen
de gestelde diagnose om te zetten in therapeutische interventies.
Psychotherapie
betekent hier niet alleen het uur gesprek met de psychiater of / en de
psycholoog maar betekent ook het continu zoeken naar manieren van omgaan met
het dagdagelijks gebeuren.
Als
je met praat met het team van deze afdeling dan heeft het feit dat 3 onder hen
een psychotherapie opleiding gevolgd hebben vooral als gevolg dat er een
verschil ontstaat tussen doelgericht bezig zijn met mensen, in afwachting dat zij hun gesprek hebben met
de “therapeut” en naast de gesprekken een klimaat ontwikkelen waarin het
dagdagelijks afdelingsgebeuren psychotherapeutisch georganiseerd is.
Als
we kijken naar de beginvraag namelijk waarom hebben deze mensen met een A1
diploma een psychotherapieopleiding gevolgd,
zijn de antwoorden hierop de volgende:
Indien
de beslissingen van de minister van die aard zouden zijn dat deze
verpleegkundigen geen psychotherapieopleiding meer kunnen volgen dan lijkt het
mij vrij voor de hand liggend dat de kwaliteit van een opname op deze afdeling
in elk geval in ernstige mate minder wordt. Het probleem is natuurlijk dat dit
moeilijk objectief meetbaar is. Binnen
de residentiële sector moet men dus een keuze maken tussen psychotherapie enkel
in het bureel van de psychiater of psycholoog of mensen de kans geven om zich
psychotherapeutisch te vormen en er op die manier voor zorgen dat het
therapeutisch gebeuren een continu aanbod is.
Wat
mij op deze afdeling ook opvalt is dat men duidelijk de opsplitsing maakt
tussen diagnosticeren en psychotherapeutisch behandelen. Het is uiteraard zo
dat bijvoorbeeld verpleegkundigen,
maatschappelijk werkers niet de opleiding genoten hebben om diagnoses te
stellen. Vaak wordt gezegd dat dit net een argument is om te zeggen dat die
mensen dus ook geen psychotherapie kunnen doen. Deze afdeling illustreert
echter perfect het tegenovergestelde.
Het
is effectief belangrijk om een diagnose te stellen. Het is echter niet zo dat
je maar kunt behandelen als je ook kunt diagnosticeren. Diagnostiek is één
zaak, behandelen is een andere zaak.
Op
deze afdeling heeft men het zo georganiseerd dat de psycholoog diagnosticeert
en de psychotherapeuten op basis van deze diagnose behandelingsinterventies
uitwerken. Dit blijkt perfect te
werken.
Voorbeeld
2:
Een
steeds groter wordende sector is de bijzondere jeugdzorg. Deze sector vraagt
heel wat vaardigheden en bestrijkt een publiek dat vaak moeilijk toegankelijk
is. Denken we hierbij vooral aan de diensten thuisbegeleiding waarbij de
hulpverlener naar de cliënt toe gaat en niet omgekeerd.
Het
zijn vaak situaties waarbij de cliënt helemaal niet gemotiveerd is om hulp toe
te laten, met andere woorden het gaat
hier vaak om een verplicht karakter.
Werken
met dit publiek betekent vaak zoeken naar ingangspoorten die er voor zorgen dat
mensen gemotiveerd kunnen geraken om hulp toe te laten.
Dit
betekent dat mensen die in deze sector werken vaak experten moeten zijn in het
werken met weerstanden, verzet, agressie en het zoeken naar manieren om
toegang te krijgen tot mensen.
Als
we dit plaatsen naast de situatie waarbij iemand zelf de stap zet naar de
hulpverlener omdat hij of zij vindt dat er iets moet veranderen is dit een
wereld van verschil in werkmethodiek.
Nu, hoe ziet zo’n doorsnee
thuisbegeleidingsdienst eruit: ik heb
hier een voorbeeld van één dienst: zie
slide 2
Ik
heb heel sterk de indruk dat iemand die in een thuisbegeleidingsdienst werkt
met duidelijk niet “gemotiveerde” mensen over heel wat psychotherapeutische
vaardigheden dient te beschikken om mogelijke ingangspoorten te vinden bij zijn
klanten.
Als
we kijken naar een team van een thuisbegeleidingsdienst dan merken we dat die
vooral bemand worden door A1 gediplomeerden,
die uit ondervonden noodzaak vaak een psychotherapieopleiding hebben
gevolgd. Als we bekijken van waaruit zij deze opleiding volgen hoor je vooral
dat de opleiding hen geholpen heeft om ingangspoorten te vinden bij het vinden
van manieren om mensen te motiveren.
Het
is niet de cliënt die gemotiveerd moet zijn,
maar de therapeut die over geoefende vaardigheden dient te beschikken om
mensen te helpen om gemotiveerd te kunnen zijn.
Het
is met andere woorden niet de cliënt die zich dient aan te passen aan de
hulpverlener, maar de hulpverlener die
zich moet kunnen aanpassen aan de cliënt. Om dit te kunnen is een
psychotherapeutische opleiding bijna een must.
Ik
heb deze twee voorbeelden gegeven om wat stil te staan bij de concrete
organisatie van onze gezondheidszorg. Dit is natuurlijk maar een fragment van
de vele verschillende sectoren. Nochtans illustreert het wel dat kiezen voor
een opsplitsing in twee titels, en
psychotherapie voorbehouden voor een aantal universitaire diploma’s sowieso
betekent dat mensen geen psychotherapieopleiding meer kunnen volgen. Verder
gevolg is natuurlijk dat heel wat mensen kwalitatief minder goed zullen gevolgd
worden.
Dit
lijkt mij net zo moeilijk. Hierin vallen vaak twee accenten op:
·
We leven in een
maatschappij waarin het aantal hulpvragers toeneemt. Dit zelfs in zo’n mate dat
het vaak wachten is voor mensen om geholpen te kunnen worden. Ik denk dat we
allemaal de situaties kennen waarbij je iemand probeert door te verwijzen maar
de wachttijd x weken is. We kunnen dus zeggen dat het hulpaanbod de grootte van
de hulpvraag niet kan volgen.
·
We leven daarnaast ook
in een tijd waarin er een grotere verscheidenheid aan problemen voorkomen.
Problemen die niet meer enkel en alleen kunnen ondergebracht worden in de
categorie psychiatrische ziektebeelden maar vaak een complex geheel zijn van
maatschappelijke factoren die ervoor zorgen dat iemand zich emotioneel slecht
voelt en dus problematisch gedrag gaat vertonen.
Ik
moet hierbij denken aan een congres dat wij vanuit onze afdeling organiseerden
in december 1999 waarbij het thema was:
werken met jongeren die gekneld zitten in velerlei situaties en van
daaruit psychiatrische problematiek ontwikkelen.
Laat
ons misschien samen twee voorbeelden kort doornemen:
·
We kennen een stijgend
aantal scheidingen. Heel wat kinderen,
jongeren worden dus geconfronteerd met de scheiding van hun ouders.
Scheidingen die vaak moeizaam verlopen. Scheiden blijft iets moeilijks vooral
als ouders en kinderen. Het is niet evident om als ouders op een constructieve
manier om te gaan met dit gebeuren. Gevolg is dat heel wat kinderen, jongeren gekneld raken in de ouderlijke
conflicten ivm de scheiding. Jongeren die door het gekneld zitten vaak
emotionele problematiek ontwikkelen die uitloopt naar symptoomgedrag. Op die
manier komen zij dan met hulpverlening in aanraking. Hiermee samen hangend zijn
er in evenredigheid met het aantal scheidingen uiteraard ook een groter wordend
aantal nieuw samengestelde gezinnen. Ook hier worden mensen geconfronteerd met
iets moeilijks waarbij het niet zo evident is om er als nieuwe partners in te
slagen om op een constructieve manier het ouderschap op te nemen tov de
kinderen.
·
Al de nieuw opgerichte
werkingen rondom daderhulp en slachtofferhulp kunnen we als tweede voorbeeld
nemen. Werken met daders en slachtoffers is gedurende de laatste paar jaren een
onderwerp dat heel wat aandacht heeft gekregen en ik zou zeggen gelukkig maar.
Een paar jaar terug was het duidelijk : een dader moest gestraft worden.
Momenteel gebeuren er maatschappelijk heel wat inspanningen om ook deze mensen
hulp aan te bieden. Deze vorm van hulpverlening is nieuw en in volle
ontwikkeling.
Deze
twee voorbeelden zijn voor mij een illustratie van het feit dat we tegenwoordig
veel duidelijker zien dat hulp aan mensen belangrijk is. Dit is iets wat alleen
maar kan toegejuicht worden.
Dit
betekent volgens mij echter ook dat we ons klassieke denken in termen van
psychotherapie is voor die of gene pathologie een stuk zullen moeten loslaten.
Als
ik praat met mensen die werken met scheidingsproblematiek of met mensen die
werken met daders dan heb ik steeds een grote bewondering voor de weg die men
probeert te volgen. Het is werken met complexe materies. Materies waar je niet
direkt kunt zeggen dat het om één welomschreven pathologie gaat.
Deze
maatschappelijke factoren zorgen ervoor dat de aard van de problemen waarmee we
als hulpverleners dienen te werken verscheidener, complexer en minder éénduidig wordt. Dit zorgt ervoor dat wie wat
moet doen vervaagt, onduidelijker wordt.
Wat voor mij wel duidelijk is is dat een maatschappelijk werker die met
daders werkt, een moeilijke taak heeft.
Hoe beter psychotherapeutisch hij of zij geschoold is hoe beter hij of zij kan
tegemoet komen aan wat nodig is om effectief te kunnen helpen.
Er
zijn dus heel wat nieuwe problemen waarmee we in de hulpverlening
geconfronteerd worden, waarbij we
duidelijk merken dat graad van bekwaming,
scholing en het beschikken over een brede waaier van psychotherapeutische
vaardigheden een must is om op een doeltreffende manier te kunnen inspelen op
de hulpvraag.
Indien
we als maatschappij onze verantwoordelijkheid willen nemen, met andere woorden indien we er willen voor
zorgen dat mensen in een steeds complexer wordende maatschappij doeltreffend en
efficiënt geholpen worden, zullen we in
plaats van te verengen (ons accent te gaan leggen op het uitsluiten en toelaten
van beroepsgroepen) alle krachten moeten bundelen om nog een antwoord te kunnen
geven op een alsmaar groeiende vraag.
Ik
zou tot slot nog iets willen zeggen over de manier waarop er geprobeerd wordt
om tot besluitvorming te komen.
Toen
ik begin vorig jaar hoorde dat er een expertenwerkgroep samengesteld was, die aan het zoeken was welke
erkenningscriteria zouden gehanteerd worden voor de titel van psychotherapeut, viel ik van de ene verbazing in de andere.
Ik houd er toch aan om een aantal van die verwonderingen hier op te
noemen, ik formuleer ze in vraagvorm:
·
Kan het dat een
werkgroep gedurende een aantal maanden functioneert met enkel
universitairen, en pas nadat het grote
kader al beslist is (opsplitsing in titel psychotherapeut – titel counselor)
een aantal A1 onderwijsmensen erbij betrekt. Niet om over de grond van de zaak
te discussiëren, maar met de opdracht
om wat reeds beslist is uit te schrijven,
namelijk de tekst van counselor uitschrijven.
Kan dit gelden als een voorbeeld van democratie of
welke naam moeten wie hier aan geven?
·
Kan het dat heel wat
bestaande en gedurende jaren werkende opleidingsinstituten niet op de hoogte
zijn van het bestaan van een werkgroep,
laat staan uitgenodigd worden om hier hun ideeën ook naar voor te
brengen? En is het toeval dat enkel opleidingen verbonden aan een universiteit
hiervoor worden uitgenodigd?
·
Kan het dat in dit
ganse debat de stem van de cliënt op geen enkele manier wordt gehoord?
·
Kan het dat als je
mensen van ministeries vraagt om deel te nemen aan de discussie hieromtrent dat
zij zich op alle mogelijke niveaus verontschuldigen en zeker niet het woord
wensen te nemen?
·
Kan het dat in een tijd
waarin men nieuwe politieke cultuur predikt: “politiek van en dichtbij het
volk” je via een aantal kanalen te
horen krijgt dat opkomen voor deze inhoud gevaarlijk is?
Ik
zou willen eindigen door mijn hoop uit te spreken dat we er samen kunnen in
slagen om ervoor te zorgen dat de verantwoordelijken voor de uiteindelijke
beslissing bereid zouden zijn om het debat ivm dit onderwerp opnieuw te openen
en te proberen op een meer democratische manier dan tot hiertoe is gebeurd tot
besluitvorming te komen.
Daarnaast
wil ik als echt slot benadrukken dat indien we inderdaad staan voor en
vertrekken vanuit het belang van de cliënt het dringend tijd is dat we die in
dit ganse debat ook gaan betrekken.