Psychotherapie en -analyse in de 21e eeuw
Door Speelmans Geert
Voorzitter V.Z.W. Orthotherapie
Zoals elke therapeut weet is men van overheidswege bezig de
wereld van de Psychotherapeutische hulpverlening te onderzoeken. Eén punt is de
vooropleiding. Daar de tendens is Psychotherapie voor te behouden voor
Universitairen – wat in het geheel geen nieuw probleem is, want al tijdens de
beginjaren van de Psychoanalyse was dit aan de orde – willen we uit die
« oude » debatten argumenten halen die pleiten voor wat men toen al
« Lekenanalyse » noemde.
Probleemsituering
Eenieder die van de Psychotherapie zijn/haar beroep gemaakt heeft weet
dat men van overheidswege een werkgroep opgericht heeft die als taak kreeg het
« doorlichten » van elke therapie, die gedijt op Belgische bodem. Dit
betekent dat daar waar vroeger een therapeutische richting viel onder het
gedoogbeleid, men af wil van dit beleid, dus komaf wil maken van therapieën
die, wettelijk gezien, in de schemerzone van de hulpverlening vertoefden. Dit
is één punt. Een ander is dat ook therapieën die voorheen regulier waren, soms
zelfs subsidies kregen, evenzeer onder de loupe genomen worden, niet in het
minste op aandrang van de medische wereld. Deze tweede opdracht van de
werkgroep levert de minste problemen op. Anders is het gesteld met de voorheen
gedoogde therapieën.
Zoals hoger vermeld gaat het om wat managers « doorlichten »
noemen : een therapie wordt bestudeerd en beoordeeld teneinde aan de
overheid een aantal voorstellen te kunnen formuleren.
Tot een dergelijke beoordeling tracht men te komen door een therapie te
bestuderen ten eerste naar de inhoud. Beschikt men over een theorie ? Welk
is die theorie ? Hoe is men tot die theorie gekomen ? Welke
verwijzingen zijn er ? Een tweede punt is de opleiding. Hoe wordt die
gegeven ? Duur en welke criteria hanteert men om kandidaten aan te nemen
en welke vooropleiding heeft men ? Welke mensen beoefenen die therapie,
welk cliëntèle hebben ze en hoe effectief zijn ze ? Vragen die zeer zeker
niet makkelijk zijn om te beantwoorden maar die ons hoedanook dwingen over ons
eigen functioneren na te denken.
Iets wat altijd al als een heet hangijzer bevonden werd is de
vooropleiding die, als criterium, bij de ene therapievereniging strikter
gehanteerd wordt dan bij de andere. Met betrekking tot dit punt zal men eisen
gaan stellen en daar wij als Orthotherapeuten familie zijn van de
Psychoanalyse, willen we aan de hand van het vraagstuk van de lekenanalyse,
want zo placht men dit te noemen, een bijdrage leveren tot dit debat.
Geschiedenis van de
"lekenanalyse"
Het begin van de Psychoanalyse ligt bij de zoektocht van Freud en Breuer
naar een benadering van mensen met psychologische problemen, die hun het beste
beviel. Na veel vallen en opstaan kon Freud uiteindelijk iets concipiëren dat
de naam Psychoanalyse meekreeg en dat vrij onbekend was. Naarmate Freuds
inzichten het grote publiek meer en meer bereikten, nam het aantal
geïnteresseerden toe. De kandidaat-analytici werden dan door Freud
geselecteerd, hierop komen we later terug, en na verloop van tijd was het
aantal zo groot dat men het initiatief nam om een vereniging te stichten. De
Psychoanalytische beweging was geboren. Naarmate de Vereniging groter werd en
de eerste Psychoanalytische ambulantoria (consultatiebureaus) er kwamen, rezen
er meningsverschillen en ontstonden er grofweg twee kampen : Zij die de
Psychoanalyse liever zagen als een voorrecht voor artsen en aan de andere kant
een groep die het raadzamer vond ook niet-artsen deze therapie te laten
uitoefenen. Deze laatsten waren veruit in de minderheid en hun praktijkvoering
viel dan ook niet op. Rond Psychotherapie en Psychoanalyse, bestond in het Keizerlijke
Oostenrijk geen gedoogbeleid. Lang kon het echter niet uitblijven of één van
Freuds aanhangers lichtte de stedelijke autoriteiten van Wenen in over de
aanwezigheid van wat men van toen af aan « Lekenanalytici » ging
noemen. Theodor Reik zou de geschiedenis
ingaan als één van de eerste lekenanalytici die voor de rechter moest
verschijnen, wegens het zogezegd "onwettig uitoefenen van de
geneeskunde". De stelling was dat Psychoanalyse geneeskunde is en
geneeskunde mag alleen door een arts beoefend worden. Het werd Reik dus verboden zijn praktijk voort te zetten maar hij
hield zich er niet aan, en nam een advocaat. Als tweede troef contacteerde hij
Freud en verzekerde zich van zijn steun. De bemoeïenissen van Freud wierpen
resultaat af : de zaak werd geseponeerd. Het jaar daarop echter, werd hij
opnieuw gedagvaard, ditmaal door de aanklacht van Newton Murphy, een patiënt
van hem die o.w.v. het tijdsgebrek van Freud, door deze laatste naar Reik was
gestuurd. Murphy, zelf een Amerikaans arts, was verbolgen over het feit dat
Freud geen tijd voor hem kon vrijmaken en hem naar een niet-medisch geschoold
analyticus doorverwees.
De opflakkering van dit probleem deed Freud weer grijpen naar zijn
machtigste wapen : zijn pen. « Die Frage der Laienanalyse »
(1926) was het resultaat. Dr. Murphy verloor het proces, maar daarmee was het
probleem niet van de baan. De interne conflicten in het I.P.A. gaven aanstoot
tot hoog oplaaiende discussies. Nog steeds wordt over dit probleem
gediscussieerd, alhoewel er toch een andere mentaliteit ontstaan is t.a.v. het
vraagstuk van de lekenanalyse.
Wat is « Lekenanalyse » ?
Bij een nadere beschouwing van de bovenstaande term –
« Lekenanalyse » - moeten we enkele kanttekeningen plaatsen. Het gaat
dus over het uitvoeren van een therapeutische act, door een leek. Een leek
wordt dan weer omschreven als een persoon die van een bepaald vak niets
verstaat, het niet beheerst. Dit kan nochtans van de lekenanalyticus niet
gezegd worden – dat hij van de Psychoanalyse niets verstaat. Dit leek-zijn
heeft veeleer betrekking op de medische
wetenschap. Als we dit omkeren zijn artsen, in zoverre ze geen Psychoanalytisch
onderwijs genoten hebben, evenzeer leken, op vlak van de Psychoanalyse.
« Maar », schrijft Freud « wie een dergelijke opleiding heeft
gevolgd, zelf geanalyseerd is, van de psychologie van het onbewuste het weinige
heeft begrepen dat daar op dit moment over te denken valt, in de wetenschap van
het sexuele leven thuis is en zich de netelige techniek der Psychoanalyse eigen
heeft gemaakt, de duidingskunst, het bestrijden van de weerstanden en het
hanteren van de overdracht, die is geen
leek meer op het gebied van de Psychoanalyse. Hij is bevoegd om neurotische
stoornissen te behandelen… » (Freud, 1991, pag. 162, eigen
cursivering).
Alhoewel, zoals hoger vermeld, de stelling was dat zieken door artsen
moeten behandeld worden, merkte Freud op « dat de zieken in dit geval niet
zijn zoals andere zieken, de leken geen leken in eigenlijke zin en de artsen
niet precies datgene wat men van artsen mag verwachten… » (Freud, pag.
112). Het gaat inderdaad om wat Freud nerveuze
zieken noemt.
Geneeskunde als vooropleiding
Freud stelde herhaaldelijk dat geneeskunde als vooropleiding voor de
Psychoanalyse ontoereikend, zelfs belemmerend is. « Daarentegen is het
gros van hetgeen de medicijnenstudie leert, voor zijn doeleinden onbruikbaar.
Zowel de kennis van de voetwortelbeentjes als die van de vorming van de
koolwaterstoffen, de loop van de hersenzenuwdraden, alles wat de geneeskunde
over bacillaire ziekteverwekkers en hun bestrijding, over serumreacties en
weefselgezwellen aan het licht heeft gebracht – allemaal op zichzelf zeker
hoogst achtenswaardig -, is voor hem toch volstrekt onbelangrijk, gaat hem
niets aan, deze kennis helpt hem niet direct een neurose te begrijpen en te
genezen, noch draagt ze ertoe bij de intellectuele vermogens te scherpen
waaraan zijn werk de hoogste eisen stelt. » (Freud, pag. 182). De arts is
medisch georiënteerd en denkt derhalve vaak in termen van organische afwijkingen
i.p.v. het psychologische, menselijke functioneren. Het gaat er dus om dat de
medische opleiding maakt dat men zoekt naar « lichamelijke determinanten
van de psychische stoornissen » en ze « behandelt… op dezelfde manier
als andere ziekteoorzaken. » (Freud, pag. 165). Wat voor Freud zéker zwaar
om verteren was, was het feit dat vele artsen, juist op basis van hun
arts-zijn, meteen ook aanspraak maakten op het mandaat aan Psychoanalyse te
mogen doen, zonder daarvoor de geeïgende opleiding gehad te hebben. « Een
slecht toegeruste dokter die de analyticus speelt, is in feite niets meer dan
een kwakzalver. » (Freud in Peter Gay, 1991, pag. 446). Zelfs de arts die
de opleiding wèl heeft gehad, zal in de 1e plaats medicus zijn, en
secundair pas Psychoanalyticus. Men zal dan dus blijven hangen aan een
biologisch-somatische gerichtheid en in mindere mate aan het typisch eigene van
de Psychoanalyse. Ralph Greenson schrijft : « Ik heb artsen ontmoet
die Psychoanalyse deden die in feite misplaatste onderzoekers of gegevens-verzamelaars
waren en hun therapeutische resultaten waren beneden alle verwachtigen. Ik heb
lekenanalytici gekend die helemaal in hun doen waren en hun patiënten
leken er niet onder te lijden dat hun
analyticus geen medische graad had. » (Greenson, 1994, pag. 404). De
analyticus wordt immers « door
zijn ervaring een andere wereld met andere verschijnselen en andere wetten
binnengevoerd. » (Freud, pag. 182).
Degene voor wie Freuds levenswandel niet vreemd is zou kunnen opwerpen
dat Freud zelf toch arts was en een neuroloog zelfs. Breekt Freud hier dan zijn
eigen beroep af ? Hierop moet genuanceerd geantwoord worden. Freud was, al
in zijn studententijd, geïnteresseerd in psychologische processen – het
« zieleleven » zoals dat toen heette. Daartoe leek hem de
medicijnenstudie het meest aangewezen. Na afloop van zijn studie bleek zijn
nieuwsgierigheid te weinig bevredigd te zijn en vatte hij dan maar de
specialisatie neurologie aan… wat ook
onbevredigend bleek. Zijn eigenlijke opleiding begon pas toen hij bij Charcot
en Bernheim Hypnose ging studeren.
Eigenlijk moeten we op de vraag naar welke vooropleiding Freud genoten
heeft het voor velen tegen de borst stuitende antwoord – Hypnose – geven. Het
betekent dus een niet-academische opleiding – Hypnose is nooit als academische
opleiding erkent geweest.
Echter, onze beschouwing zou tè éénzijdig zijn als we de
medicijnenstudie meteen van de hand zouden wijzen. Het voordeel dat de arts
soms wèl heeft is zijn kennis bij een differentiële diagnose. Neem bijvoorbeeld
de patiënt die klaagt van hoofdpijnen : organische of psychologische
oorzaak ? In dit geval is de arts de persoon bij uitstek om uit te maken
welke causale factor de oorsprong is van de klacht. Maar weerom, « het is
onrechtvaardig en ondoelmatig om een mens die de ander van het lijden van een
fobie of dwangvoorstelling wil bevrijden, tot de omweg over de medicijnenstudie
te dwingen. » (Freud, pag. 182).
Er is dus een groep patiënten, waarbij lichamelijke klachten niet voorkomen. De arts kan dus voor hen
niets doen. Daarom lezen we :
« …het aantal gevallen waarin zulke twijfels in het geheel niet wijzen,
men de arts niet nodig heeft, is toch nog oneindig veel groter. Deze gevallen
zijn wetenschappelijk gesproken misschien heel oninteressant, maar in het leven
is hun rol belangrijk genoeg om het werk van de lekenanalyticus, die volkomen
tegen ze opgewassen is, te rechtvaardigen. » (Freud, pag. 192).
Deze stelling van Freud kreeg weinig gevolg. De toegeving die hij dan
wou doen was het voorstel dat de arts ten allen tijde de diagnose zou stellen –
organisch of psychologisch – en de « lekenanalyticus » dan de
therapie zou doen. Het zou ideaal zijn « dat voorlopig alle belangen
worden gehonoreerd als de artsen besluiten een klasse van therapeuten te
tolereren die hun de lastige behandeling van deze enorm veel voorkomende
psychogene neurosen uit handen neemt en ten bate van deze zieken in
onafgebroken contact met hen blijft. » (Freud, pag. 183). Ook hiertegen
uitte de gevestigde medische wereld bezwaren : zij en zij alleen zouden
Psychoanalyse mogen doen. Dit heeft tot jarenlange debatten geleid, maar
ondertussen werd Anna, Freuds dochter, gevormd tot analytica. Alhoewel ze geen
medische opleiding achter de rug had had ze niet al tè veel moeite tijdens die
woelige jaren de kritiek van de medici te trotseren, met in haar kielzog nog
tal van andere niet-medische analytici als Otto Rank, Hanns Sachs, Lou
Andréas-Salomé, Melanie Klein, August Aichhorn, Ernst Kris en Joan Rivière[1].
De controversen kunnen eenvoudigweg voorgesteld worden als pro’s en
contra’s, waarbij elk « kamp » zowel leken als medici
bevatte. Amerika was het land dat de meeste contra’s huisvestte en de
Amerikaanse tak van de Vereniging lag dan ook met de regelmaat van de klok in
de clinch met Freud, die op het Europese vasteland méér invloed bleek te
hebben. Amerika, tijdens de jaren ’20, ’30 en ’40 had veel te maken met
Europese analytici die van de « Oude Wereld » emigreerden naar de
« Nieuwe ». Daaronder bevonden zich véél lekenanalytici en Amerikaanse
medische analytici zagen hun bevoorrechte positie dan ook bedreigd door deze
lekenanalytici die veruit bekwamer waren als zij, maar géén artsen waren.
Deze toestand betekende dat de medici de Psychoanalyse nu helemaal
wilden opeisen. Freud vreesde terecht dat als dit zou gebeuren men « de
Psychoanalyse als onderdeel van de geneeskunde » (Freud, pag. 189) zou
reduceren. Terecht vreesden de analytici (Freud en met hem de lekenanalytici
alsook enkele welwillende arts-analytici) ervoor dat de Psychoanalyse zou
opgaan in de Psychiatrie en daardoor gereduceerd zou worden tot een klein
hoofdstuk in een leerboek Psychiatrie. « De hele electriciteitsleer is
vertrokken van een aan het zenuwspier-apparaat gedane waarneming, maar daarom
komt nu toch niemand op het idee te beweren dat ze een onderdeel van de
fysiologie is » (Freud, pag. 189).
Freud zou geen Psychoanalyticus geweest zijn als hij dit opmerkelijk
hardnekkig verzet van de medici niet met een aan analytici eigen achterdocht
zou bejegenen. Dit noopte hem uiteindelijk ertoe te concluderen dat het, voor
de medici, ging om een standenverschil wat ze te verdedigen hadden. Hermann
Nunberg was één van de weinige Weense artsen die hem hierin bijstond en
schreef : « Ik heb de indruk dat het verzet tegen de beoefening van
Psychoanalyse door leken niet altijd berust op louter theoretische
overwegingen. Naar mijn mening spelen ook andere motieven, zoals medisch
prestige en motieven van financiële aard een rol. » (Peter Gay, pag. 449).
We willen wel geloven dat dit inderdaad een belangrijke rol speelt. Voor men
zich arts mag noemen heeft men vele jaren universiteit achter de rug en hard
gestudeerd. De gevoelsmatige toestand waarin men na dit harde werken verkeert,
lokken dan makkelijk almachtsfantasieën uit. Bovendien is er het
volgende : hoe weinig deze artsen (en leek zijnde op vlak van de
Psychoanalyse) van deze therapie weten,
toch weten ze dat ook de hulpvrager de analyticus idealiseert waardoor deze
overdracht nog eens een extra beloning is voor het harde werken. Dat dit echter
een gevaarlijke valkuil is weet ieder die therapieën geeft .
Wat is Psychoanalyse?
Geneeskunde is dus geen conditio sine qua non die een praktijk als
therapeut mogelijk maakt. Dat was de conclusie van Freud. Als we nu bekijken
hoe Lacan, een gerenommeerd frans analyticus, stond tegenover dit thema kunnen
we niet anders dan concluderen dat deze een stap verder ging: Psychoanalyse is
gewoonweg geen geneeskunde. Hij gaat
nog verder met te stellen dat Psychoanalyse geen wetenschap is, maar dit zou
ons te ver voeren.
Neen, Lacan was hier categoriek in: Psychoanalyse is geen geneeskunde. Meer nog: ze is ook
geen psychologie, sociologie,… Psychoanalyse is gewoonweg… Psychoanalyse.
Indien de werkgroepen de overheid adviseren haar toch in een dwangbuis van de
medische wetenschap te steken, mogen er - logisch gevolg - ook geen psychologen
meer aan analyse doen, want psychologie is ook geen medische wetenschap, dus
geen geneeskunde. Toch zijn er, om maar een voorbeeld te geven, criminologen
die een zelfstandige analytische praktijk voeren.
De Psychoanalyse is gewoon zichzelf, met haar eigen wetten, regels,
werkwijzen,… net als ieder ander vak eigen regels heeft.
Jammer genoeg wordt zij hoofdzakelijk beoordeeld naar haar meest gekende
verschijning: een spreekkamer, een hulpvrager en een luisteraar. Per definitie
moet daar dan genezing beoogd worden, denkt men dan, want, waarom zou een
hulp-vrager daar anders aankloppen? Nu, iemand die bij de pastoor gaat biechten
is toch ook een hulpvrager en toch wordt de pastoor niet aangeklaagd wegens het
onwettig uitoefenen van de geneeskunde. Natuurlijk, de lezer denkt nu misschien
"Ja, maar, godsdienst is iets ànders", en, welja: Psychoanalyse is eveneens iets anders.
Bij nader toezien hoeft de stelling dat geneeskunde en Psychoanalyse
niets met mekaar te maken hebben, niet bevreemdend overkomen. Niet wanneer we
ons realiseren dat we toch onnoemlijk vaak geconfronteerd worden met mensen die
in feite niet ziek zijn. Ze functioneren normaal, hebben een goede relatie, een
fijne job,… maar toch. Ziek zijn ze niet, zo bekijken ze zichzelf niet, maar er
is wel een probleem, iets aan hun gedrag dat hen opgevallen is en waar ze zich
vragen over stellen. Bijvoorbeeld een jongeman die steeds op oudere vrouwen
valt. Is die man ziek? Moet hij genezen
worden? Wijkt hij af van de norm die de goegemeente hem oplegt? Of misschien
wil men zichzelf beter leren kennen: wie ben ik? Wat is mijn ware aard? Welke
zijn mijn beperkingen?…
Nee, voor Lacan is het doel van Psychoanalyse niet een mens te genezen.
Worden ze er wel "beter" van, is dit voor hem een aangenaam bijkomend
effect.
Daar waar de hulpvraag problematischer is dan bovenstaand, zoals
bijvoorbeeld het herhaaldelijk hebben van relatieconflicten, kan de arts die alléén maar een medische
opleiding heeft gehad, toch niets doen. Zelfs
als deze arts een psychiater is. Indien deze hulpvrager er toch beter van
wordt, zou dit effect er vermoedelijk ook geweest zijn als hij eens een goed
gesprek zou gehad hebben met eender wie.
De opleiding tot Psychoanalyticus
Daarnet hadden we het over Lacan. Net als Freud liet hij lekeanalytici
toe. Stuart Schneiderman (1994, pag. 38) schrijft: "Lacan had opened the
doors to lay analysts: there were no formal admissions requirements, no degrees
that one had to posess to be considered for membership. Meetings and courses at
the Ecole were open to anyone …" Hij trachtte steeds een breuk te
bewerkstelligen tussen geneeskunde en Psychoanalyse en wie zijn geschriften
bestudeert weet dat een geneeskundige achtergrond geen voordeel geeft om zijn
seminaries te lezen.
Net als bij Lacan was het ook voor Freud niet nodig dat men aan bepaalde
formele opleidingkwaliteiten moest voldoen. Iedereen kon analyticus worden die
zich bij Freud aandiende. Wel werd dan uitvoerig gesproken over de drijfveren –
alsook de maturiteit was belangrijk. Het persoonlijke
aandeel was dus overwegend, ver boven de genoten vooropleiding. In de eerste
tijd althans, verliep de selectieprocedure op deze wijze. Wat de kandidaat-analytici
dan dienden te bestuderen waren vooreerst de geschriften van Freud zelf, alsook
die van belendende deelgebieden van de Psychoanalyse zoals literatuur,
mythologie, sexuologie, filosofie,… Het resultaat hiervan bleek dan wel uit de
discussies die steevast iedere woendsagavond bij Freuds thuis gehouden werden.
Eénmaal genoeg maturiteit en theorie vergaard, stond Freud toe dat de leerling
in kwestie patiënten zou behandelen, waarbij deze onder supervisie stond van
Freud zelf. Geleidelijkaan werd er nog een andere opleidingsnoodzaak
toegevoegd : de eigen analyse. Bezig zijnde met thema’s als overdracht en
tegenoverdracht stelde Freud dat een analyticus die zelf in analyse is geweest
de overdracht en tegenoverdracht vlugger kan herkennen en beter kan hanteren. Zoals duidelijk is, maakte hij bij de
kandidaat geen onderscheid, of die nu arts of leek was. Naarmate zijn
volgelingen in aantal groter werden, rees het initiatief om opleidingscentra in
verschillende landen op te richten teneinde de stroom geïnteresseerde
kandidaten beter te kunnen voorthelpen, zonder dat ze daarom allemaal naar
Wenen moesten komen. Zodoende werden consultatiecentra opgericht die eveneens
een mandaat kregen om mensen op te leiden. De opleiding kreeg meer structuur en
werd grondig uitgewerkt. Dat was de
opleiding die een kandidaat tot analyticus maakte en niet de vooropleiding, wat
Freud nooit moe werd te beklemtonen.
Zelf schreef hij het volgende : « …dat het er niet om ging of
de analyticus een artsdiploma bezit, maar of hij de speciale opleiding heeft genoten die voor het uitoefenen van de
analyse nodig is. » (Freud, pag. 188).
Lekenanalyse, verouderd begrip ?
We hadden het eerder al over de groep analytici die verkeerdelijk
lekenanalytici genoemd werden. We kunnen de vraag stellen of deze groep nu, in
2001, nog bestaat en we moeten daar ontkennend op antwoorden.
De medici verloren geleidelijkaan hun machtspositie en psychologen,
theologen,… konden analyticus worden, maar dan ging het nog steeds om
universitairen. De situatie was op een bepaald moment zodanig dat iedereen
Psychoanalyticus kon worden, op voorwaarde dat men vier jaar universitair
onderwijs genoten had, of dat nu kinesitherapie of archeologie was. De
niet-universitaire analyticus is ondertussen uit het hulpverlenerslandschap
verdwenen. Nu, anno 2001, staat het alleen de arts en de psycholoog vrij om de
opleiding te volgen en een mandaat te verwerven. Enkel de wat men
« dissidente scholen » noemt, als de Kleinianen en Lacanianen
bijvoorbeeld, staan wat toleranter in het landschap en laten mensen met een A1
opleiding wèl toe. Echter, komt men een filosoof, theoloog of criminoloog tegen
die werkt als Psychoanalyticus, is dit wellicht iemand die het mandaat aan
Psychoanalyse te doen, verkreeg voor de nieuwe regeling. Dus Freud heeft het
pleit uiteindelijk gedeeltelijk toch gewonnen.
Na WOII werd de kwestie rond lekananalyse als afgehandeld beschouwd met
de bovenstaande « toegeving » als resultaat. Waar men nu de aandacht
op begon te richten was de explosie van Psychotherapieën allerhande. Richie
Herink (1980) beschrijft in zijn boek maar liefst 250 therapieën, en in de loop
der jaren zullen er nog veel therapieën bijgekomen zijn. De kwestie rond de
« lekenpsychotherapeut » werd actueel. Onder deze wildgroei zijn
onmiskenbaar bizarre therapieën te herkennen waarbij zowel de arts als de leek
(in de zin van zowel leek op medisch als op psychotherapeutisch vlak)
vraagtekens bij plaatst. Edoch, serieuze therapieën zijn er ook, die beschikken
over een gedegen theorie, opleiding en praxis.
De vraag kan nu gesteld worden wat dit betekent voor de Orthotherapie.
Hoe de opleiding tot Orthotherapeut verloopt valt buiten het bestek van dit
artikel. « Breek uit jezelf – Orthotherapie » van Stulens Raymond kan
de geïnteresseerde méér uitleg geven. Echter, de in dit artikel aangehaalde
argumenten i.v.m. de lekenanalyse, om het statuut van de niet-medische en zelfs
niet-universitaire therapeut te verdedigen, kunnen we alleen maar bijvallen. De
opleiding zelf voorziet, net zoals
het door Freud ook al gesteld werd, in het nodige om op een verantwoorde wijze
een therapeutische context te faciliteren. Dat Orthotherapie, net als welk
andere Psychotherapie dan ook, weinig te maken heeft met geneeskunde is voor
ons duidelijk.
Daar waar een therapeut een eerder somatische aandoening vermoedt, die
urgenter is dan een psychotherapeutische behandeling, wordt de patiënt
doorverwezen naar de huisarts. Niet zelden gebeurt het dat we bijvoorbeeld
contact leggen met de arts en deze op de hoogte stellen van het probleem en
zijn/haar advies wensen af te wachten. Typisch voor de Orthotherapie is een
gerichte indicatiestelling waardoor somatische/psychiatrische problematieken
die contra-indicaties zijn, opgespoord kunnen worden voordat met de therapie
gestart wordt.
Het omgekeerde geldt voor sommige therapeuten ook : sommigen kunnen
zich verheugen in een goede samenwerking met artsen en krijgen patiënten in de
spreekkamer die door hun arts of psycholoog doorverwezen werden.
Onze verhouding met de Psychoanalyse hebben we getracht te illustreren,
met de vooropleiding als invalshoek. In wat volgt zullen we het vraagstuk
trachten te benaderen vanuit een andere invalshoek : definities van
Psychotherapie en Psychoanalyse. Hubert Van Hoorde, het « Psychiatrisch
Formularium » citerend, schrijft het volgende : « Psychotherapie
noemt men die behandelingen waarin een daartoe
opgeleid deskundige een cliënt die is vastgelopen in de inadequate
oplossing van zijn levensproblematiek helpt
zoeken naar een nieuwe meer adequate, meer bij hem horende wijze van
oplossing van die problematiek. Dit gebeurt op een consequente, methodische,
door een theorie gedragen wijze van hanteren van de relatie. » (1998,
pag. 23).
Horace B. Englisch en Ava C. Englisch omschrijven Psychotherapie
als : « The use of any psychological technique in the treatment of
mental disorder or maladjustment. The term is very general. It includes ‘Fait
cure’, suggestion, hypnosis, Psychoanalysis, provision of rest, assurance,
advice, consultation designed to relieve anxiety, psychodrama, etc. Nearly
always personal consultation is a part of the technique, sometimes the whole of
it. The term carries no implication about the seriousness of the disorder
(there can be psychotherapy for psychosis or for thumbsucking), the duration or
intensity of treatment, or the theoretical orientation of the therapist. »
(1958, pag. 429).
Natuurlijk zijn er meerdere definiëringen mogelijk maar het opsommen van
definities zou ons betoog alleen maar verwarrend maken.
M.b.t. vooropleiding zijn beide stellingen onduidelijk, maar het citaat
van Prof. Dr. Van Hoorde is het minst vaag, we lezen immers ‘…een daartoe opgeleid persoon…’. Waar gaat het over ? Over het
beoefenen van psychotherapie toch. Dus,
psychotherapie kan beoefend worden door diegene die daarin onderwijs gevolgd heeft. Dus wordt niet voorgeschreven dat
men de ‘omweg’ van studie A of B, op universitair niveau, moet gevolgd hebben.
Hierbij een kanttekening : tot dusverre werd elk pas-afgestudeerd
psychiater eveneens automatisch ingeschreven als geregistreerd Psychotherapeut.
Aan de vraag of deze arts tijdens het assistentschap een opleiding
Psychotherapie gevolgd had, werd voorbij gegaan. Het uur dat deze artsen
besteden aan hun cliënten, en wàt ze tijdens dit uur doen, legitimeert Ralph
Greenson met recht hen « gegevensverzamelaars » te noemen, want van
een waarlijk therapeutisch proces is
er niets te bespeuren. Naar verluid is
de kans groot dat deze faciliteit, automatisch als therapeut geregistreerd
worden, ingetrokken wordt. De opleiding
is noodzakelijk. Daar waar het citaat
van Prof. Dr. Van Hoorde concreter is in de uitoefening van het beroep, missen
we dit bij de stelling van Horace en Ava Englisch. Deze laatsten echter
sommeren dan weer een aantal deelgebieden van de Psychotherapie, denken we maar
aan hypnose en psychodrama waarbij de uitoefening van elk deelgebied op zich
als een psychotherapeutische act kan gezien worden.
De instelling psychotherapie breed te beschouwen, geldt evenzeer voor
de problematieken, want is het nu voor
‘psychose of voor duimzuigen’, het is allemaal waar. Echter, bovenstaand werd
al beargumenteerd dat wij t.a.v. onduidelijke problemen – somatisch of
psychisch ? – eerder een somatische check-up vereisen voor we van wal
steken met een cliënt. Dit geldt evenzeer voor psychiatrische problemen als
verslaving en de anti-sociale persoonlijkheid, om maar enkele voorbeelden te
noemen. Voor psychotische cliënten geldt hetzelfde (Zie Roelants André en Geert
Speelmans, juni 1998). Alleen al op vlak van de indicatiestelling, juist door
de strenge selectieprocedure, staan we sterk in de wereld van de
Psychotherapieën.
Dit artikel kreeg « Psychotherapie en -analyse in de 21e
eeuw » als titel, waarmee ik wou illustreren dat het schudden aan de
Psychotherapeutische wereld niet zonder gevolg kan blijven. De besluiten die de
overheid zal formuleren na de adviezen van de werkgroepen aanhoord te hebben,
zullen maken dat het een groep therapeuten verboden wordt nog langer spreekuur
te houden, of daar tenminste condities aan vast te knopen. Als men daarmee de
cliënt wil beschermen voor "kwakzalverij" siert dit de intenties van
de overheid. Weliswaar is het niet overbodig zich de vraag te stellen als men
bij het psychotherapeutisch begeleiden van de cliënt, waar medicatie dus niet
bij te pas komt, echt wel universitair moet zijn. Het gaat de cliënt om de
vakbekwaamheid in datgene waarin hij/zij hulp vraagt, wat eerder apelleert naar
de therapeutenopleiding dan naar de vooropleiding.
Adres: Albertvest 102, 3300 Tienen.
016/29 39 91.
Geraadpleegde literatuur :
Freud Sigmund,- Het vraagstuk van de
lekenanalyse : gesprekken met een onpartijdige (1926),- Blz. 105-195,- PB
2,- Uitg. Boom/Meppel,- 1991.
Leupold-Löwenthal Harald,- Zur Geschichte der
« Frage der Laienanalyse » - in « Ein unmöglicher Beruf :
Über die schöne Kunst ein Analytiker zu sein »,- Blz. 63-83,- Böhlau
Verlag, Wien – Köln – Weimar,- 1997.
Gay Peter,- Sigmund Freud – zijn
leven en werk,- Uitg. Tirion,- 1991.
Herink Richie,- The Psychotherapy
Handbook,- New American Library,- 1980.
Van Hoorde Hubert,- « (Psy)3 »
in Psychoanalytische Perspektieven,- Blz. 19-35,- Juni ’98, nr. 31.
Roelants André en Speelmans Geert,- Casus van een
psychotische cliënte : Anna – in Ortho-forum : tijdschrift voor
Orthotherapie,- Blz. 29-35,- juni ’98 (2)2.
Englisch Horace B. en Ava C.
Englisch,-
A Comprehensive dictionary of Psychological and Psychoanalytical terms,-
Longmans,- 1958.
Schneiderman Stuart,- Jacques Lacan - The
death of an intellectual hero,- Harvard University Press,- 1994.
[1] Een voorbeeld: Rivière had als "basisopleiding" haarsnit gevolgd en begon de Psychoanalyse te bestuderen toen zij al enkele jaren een eigen kapperszaak had geleid.