Belang van psychotherapie in een multidisciplinair team
binnen residentiële settings
Inleiding.
Geachte
Dames en Heren,
Wat ons hier vandaag bij elkaar brengt is een gezamenlijke interesse en voor sommigen onder ons ook wel een gemeenschappelijk belang. De ‘interesse’ gaat uit naar een kwaliteitsvolle psychotherapeutische zorg en ‘het belang’ slaat eerder op het behoud van de tewerkstelling vandaag en in de toekomst voor een aantal beroepsgroepen die zich met en voor psychotherapie inzetten. De wettelijke regeling van het beroep van psychotherapeut is noodzakelijk om zowel de patiënt als de beroepsbeoefenaar beter te beschermen. De patiënt heeft recht op kwaliteitsgaranties en op een transparant zorgaanbod waaruit hij kan kiezen. De beroepsbeoefenaar moet zich kunnen onderscheiden van kwakzalvers en andere lieden die het beroep in diskrediet brengen. We moeten ons dus verheugen over deze bijeenkomst. Eindelijk komt er iets in beweging, en er is verandering op til rond de erkenning van het beroep van psychotherapeut, en dit is me dunkt goed.
Ik wil dan ook meteen stellen dat ik de zorg van de expertencommissie die de huidige teksten met betrekking tot de toegang tot het beroep opstelde, gedeeltelijk meen aan te voelen. Want met zijn allen weten we, na vaak lange jaren van intensieve voorbereiding, studie, training, vaak dure opleiding en begeleiding ziet geen enkele gevormde therapeut graag zijn ‘métier’ in handen vallen van verlichte geesten die na een korte bijscholing of training, de naam opleiding niet waardig, zichzelf verheffen tot psychotherapeut. U zult mij vandaag niet voor een dergelijke teloorgang van het beroep horen pleiten. Dat neemt echter niet weg dat we ook onze twijfels hebben bij de huidige teksten die daarover nu op tafel liggen.
Bij de voorbereiding van mijn bijdrage maakte ik mij dan ook wat zorgen omtrent de argumentatie die moet aangevoerd worden in functie van de openstelling van het beroep van psychotherapeut voor andere beroepsgroepen dan deze die tot nog toe genoemd worden, m.n. de psychiater en de psycholoog. Tijdens de voorbereiding ben ik steeds meer overtuigd geraakt dat het in feite om iets fundamenteler gaat en dat niemand erbij gebaat is om de strijdbijl op te graven en zich uit te putten in argumenten. Want geef nu toe, waar ligt de ratio om de toegang tot het beroep van psychotherapeut te beperken tot psychologen en psychiaters? Wat zijn hiervoor de argumenten? Waarom geen filosofen, geen maatschappelijk werkers, geen wijze en verstandige verpleegkundigen? Dit sluit uiteraard niet uit dat er geen specifieke toegangscriteria kunnen gesteld worden. Ik kom daar nog op terug.
Laten we het maar meteen toegeven, het is waarschijnlijk vanuit ‘onmacht’ om de resultaten of zo u wilt de outputvereisten van psychotherapeuten te formuleren dat men des te scherper de toegangscriteria meent te moeten formuleren, vanuit de veronderstelling dat dit dan de garantie zal zijn voor goede zorg.
In mijn bijdrage onderscheid ik drie deeltjes:
1° eerst en vooral ondernemen we toch een poging even stil te staan bij wat goede zorg inhoudt in psychiatrische centra of in de ggz tout court, en welke daartoe dan de randvoorwaarden zijn;
2° vervolgens kwijten we ons van onze taak even na te denken over de plaats van de psychotherapeut in een multidisciplinair team binnen een residentiële setting;
3° tot slot geef ik enkele gedachten over de aan de gang zijnde ontwikkelingen met betrekking tot de titel van psychotherapeut, bekeken vanuit de realiteit van een psychiatrisch centrum.
Ik hoop dat ik daarmee een zinvolle bijdrage zal leveren aan ‘de therapie van velen’.
Deel 1. Wat is goede zorg in het kader
van de geestelijke gezondheid en wat zijn daartoe de voorwaarden?
Inleiding.
Het doel van de geestelijke gezondheidszorg is goede zorg te verlenen aan mensen met psychische problemen of mensen die lijden aan een psychiatrische stoornis. Deze zorg wordt vandaag verstrekt door een scala van instanties die we kunnen situeren op een lijn van ambulante over semi-murale naar intramurale zorg, zoals bijvoorbeeld het psychiatrisch centrum. Bij het verstrekken van deze zorg wordt steeds meer samengewerkt in een team met verschillende beroepsgroepen of disciplines, zoals bijvoorbeeld psychiaters, paramedici en verpleegkundigen. Het team is de spil geworden bij het verstrekken van geestelijke gezondheidszorg. Ook psychotherapeuten spelen in deze teamwerking een onmisbare rol.
De
hulpvragers: wie vraagt wat?
Het is vanzelfsprekend dat het vertrekpunt van alle vragen omtrent goed zorgverlening zich situeert bij de patiënten. Hij of zij zijn toch de oorsprong en het doel van ons professioneel handelen. Zij zijn toch onze uiteindelijke werkgevers. Het is toch evident dat men naar zijn opdrachtgever luistert en zal proberen uit te voeren wat deze vraagt. Welke zijn zijn vragen aan de oppervlakte en welke zijn zijn vragen meer in de diepte? Ervaring leert: “une question peut en cacher une autre”. We moeten goed nagaan wat de patiënt ons precies vraagt, we moeten een nauwkeurige “analyse de la demande” uitvoeren. Het gaat om het zo goed mogelijk proberen te begrijpen van de telkens unieke, telkens individuele hulpvraag van deze mens.
In
de geestelijke gezondheidszorg echter wordt niet zelden de vraag naar hulp
gesteld door anderen dan door de patiënt in kwestie: zijn gezinsleden, zijn
familie, mensen uit zijn omgeving, eventueel de bredere samenleving. Neuburger wijst in dit verband op het
onderscheid tussen het symptoom, het lijden en de hulpvraag. In ons werk is het dus erg belangrijk om zorgvuldig
na te gaan welke hulpvrager wat precies aan ons vraagt. Goede zorg begint dus met een
aandachtig luisteren. We dienen
dit te onthouden als we straks dieper ingaan op de toegang tot het beroep van
psychotherapeut.
Om
de vraag naar ‘wat is goede zorg’ te kunnen beantwoorden moeten we ook stil
staan bij de vraag wat hulpvragers belangrijk zouden achten in verband met de hulp
die hun geboden wordt. Aan welke
kwaliteiten moet hulp voldoen? We
serveren er u een zestal die ons inziens belangrijk zijn, ook in het discours
over de toegang tot het beroep van psychotherapeut.
1)
Men
verwacht dat de geboden hulp technisch goede hulp zou zijn. Men verlangt dus van de hulpverleners een
grote deskundigheid en een goede vakkennis.
Het is dus terecht dat men aan psychotherapeuten of hulpverleners hoge
eisen stelt.
2)
Men
wil door de hulpverleners niet op een technische maar op een menselijke wijze benaderd
worden: met respect en met aandacht, en dit voor de hele persoon van de
hulpvrager. Naast technische deskundigheid
verwacht men van een hulpverlener een attitude van toewijding,
zorgzaamheid en betrokkenheid. We komen
hierop nog terug.
3)
Bij
het verlenen van hulp moet de zelfstandigheid van de hulpvrager
zoveel mogelijk gevrijwaard worden.
Zoveel en zolang als kan verlangt men zelf te kunnen handelen, zelf te
kunnen kiezen, zelf beslissingen te kunnen treffen, zichzelf te kunnen
verzorgen. Eerder dan verantwoordelijk te
zijn voor de patiënt, zijn we verantwoordelijk voor zijn verantwoordelijkheid. Dit
veronderstelt dat de hulpverlener er aandacht voor heeft om voldoende
informatie en goede uitleg te verstrekken.
Mensen wensen niet meer hulp te krijgen dan ze echt nodig hebben. Echter ook niet minder dan voor hen
noodzakelijk is.
4)
Men
verlangt over het algemeen hulp te krijgen zo dicht mogelijk bij zijn vertrouwde
omgeving. Ook een niet
onbelangrijke factor die van belang is bij het aan mensen verschaffen van de
toegang tot het beroep van psychotherapeut.
5)
Hulp
moet ook vlot bereikbaar en voldoende beschikbaar zijn.
6)
Tenslotte:
de geboden hulp moet voor de mensen betaalbare hulp zijn.
2. De hulpverleners: een kwestie van teamwerk.
Enkele
decennia geleden was het landschap van de ggz veel minder geschakeerd
dan dit vandaag het geval is.
Hulpverlening gebeurde nagenoeg uitsluitend in grote psychiatrische
instellingen door artsen en verpleegkundigen.
Vandaag
de dag bestaat er niet alleen een scala van hulpverleningsmodaliteiten,
maar ook een waaier aan hulpverleningsprofessies. De klemtoon is sterk komen te liggen op samenwerking, op teamwerk
(waarbij soms een onderscheid gemaakt wordt tussen multi-, inter- en
transdisciplinaire teamwerking). In
nagenoeg alle geledingen in de geestelijke gezondheidszorg gebeurt
hulpverlening vandaag de dag onder vorm van teamwerking. Waarom is een derdelijke teamwerking zo
kenmerkend voor en zo belangrijk in de geestelijke gezondheidszorg? We formuleren hieromtrent 4 gedachten.
è Een complexe problematiek.
Mensen zijn complex, hun (psychische) problemen meestal ook. Derhalve moet ons antwoord op een vraag naar psychische hulp (meestal) ook complex zijn. Tegenover de patiënt en zijn omgeving met hun meervoudige vraag dient een team van hulpverleners te staan met een meervoudig antwoord. Om kwaliteitsvolle zorg te kunnen bieden is samenwerking meestal onontbeerlijk in de geestelijke gezondheidszorg.
è Een klimaat van groei en
ontwikkeling.
In de geestelijke gezondheidszorg gaat het meestal
niet zozeer om het herstellen van slecht functionerende organen of
lichaamsdelen, maar dikwijls eerder om groei en ontwikkeling. Groeien vereist een gunstig klimaat. Een klimaat kan men moeilijk alleen
creëren. Hierin wordt de patiënt een
veelheid aan contactmogelijkheden en ankerpunten geboden. Als men niet of
onvoldoende harmonisch samenwerkt, wordt het klimaat gehavend.
è De ontmoeting met het
verschil.
Het creëren van een groeibevorderend klimaat vereist
veelvuldig overleg en contact, een intensieve samenwerking. In de ontmoeting met de andere hulpverleners
echter botsen we op het verschil. Niet
alleen op het verschil tussen disciplines, maar hulpverleners verschillen ook
nog in hun man of vrouw zijn, hun ouder of jonger zijn, hun kennis en
vaardigheden, hun langere of kortere ervaring en in zoveel wat hun
respectievelijke persoonlijkheden uitmaakt.
Men moet proberen om samen te werken, om mekaar te begrijpen, om
gezamenlijke projecten uit te stippelen.
Wanneer wij niet tot overleg kunnen komen,
interdisciplinair, hoe zullen we dan tot overleg en samenwerking kunnen komen
met de patiënt, die nog veel meer van ons kan verschillen dan dit andere
teamlid? Hoe kunnen we het verschillend
zijn van die (soms ernstig gestoorde) psychiatrische patiënt toch aanvaarden,
hoe kunnen we ondanks het verschil toch proberen naar hem te luisteren en te
komen tot overleg en eventueel tot gezamenlijke projecten, kleinere of grotere?
è Het genereren van
creativiteit.
Uit dit openstaan voor het verschil komt niet zelden
iets nieuws te voorschijn, dat niet door iemand afzonderlijk had kunnen
gecreëerd worden. De ontmoeting met het
verschil werkt bevruchtend en genereert creativiteit:”Du choc des idées jaillit
la lumière”.
Tot
hier enkele beschouwingen bij wat goede zorg inhoudt. Ik meen dat een verdere bezinning hierover van nut is bij het
bepalen van wie psychotherapeut kan worden.
Deel 2. De
plaats van de psychotherapeut in een multidisciplinair team binnen een
residentiële setting, m.n. het psychiatrisch centrum.
1)
Om tot de ‘goede’ en ‘interdisciplinair aangeboden’ zorg
te komen die hiervoor beschreven werd zijn er dus per definitie verschillende
disciplines nodig. Ook de psychotherapeuten spelen
hierin een nadrukkelijke rol. Vaak krijgen zij binnen een psychiatrisch centrum ook de rol van therapeutisch
coördinator van een afdeling toebedeeld, naast hun feitelijke opdracht
als psychotherapeut
in de behandeling. Deze rol van
therapeutisch coördinator is te situeren op het terrein van de uitwerking en
opvolging van het inhoudelijk werk en afstemming van het team.
Hij/zij bewaakt de filosofische en therapeutische denkkaders en basisprincipes en zorgt dat de verbijzonderingen ervan door de verschillende teamleden op een adequate manier gehanteerd worden en stuurt deze in samenspraak met de andere SIT-leden (stuurgroep interdisciplinair team) indien nodig bij.
Voor ons psychiatrisch centrum is deze functie niet weg te denken en van fundamenteel belang.
2)
Verder stellen we vast dat er psychotherapeuten van ‘divers pluimage’
werkzaam zijn in de psychiatrische centra.
De term ‘divers’ slaat dan zowel op de specifiek psychotherapeutische scholing
die ze genoten hebben als op de beroepsgroepen die de
psychotherapie als methodiek in hun handelen hebben ingebouwd.
Zo prijs ik mij gelukkig dat er in ons centrum:
·
diverse
psycho-analysten
·
cliënt-centered
therapeuten
·
relatie-en
gezinstherapeuten
·
groepspsychotherapeuten
·
dramatherapeuten
·
gedragstherapeuten
·
en
een sexuoloog
werkzaam zijn.
En ik prijs me nog gelukkiger dat deze therapeuten
een zeer diverse achtergrond hebben:
·
de
psychologen zijn er bij, uiteraard
·
maar
ook de psychiaters, ook uiteraard
·
maar
ook maatschappelijk werkers
·
sociaal
verpleegkundigen
·
activiteitenbegeleiders
of ergotherapeuten
·
assistenten
in de psychologie
·
orthopedagogen
·
verpleegkundigen
Dat ik deze mix een positieve kracht vind voor de
uitdagingen die aan ons psychiatrisch centrum gesteld worden is u wellicht
duidelijk, gegeven de schets van goede zorg die ik heb opgehangen in mijn
eerste deel. De argumenten voor zo’n
polyvalente samenstelling heb ik u daarstraks aangegeven (ik breng nog eens de
complexiteit van zorg en de opnames gericht op groei en ontwikkeling in
herinnering).
Dames en heren, deze mensen
zijn werkzaam en maken het ziekenhuis tot wat het vandaag is.
3)
Tenslotte willen we’r nogmaals op wijzen dat er in de psychiatrie tijdens de
laatste 10 jaren een sterker accent is komen te liggen op het behandelen van patiënten. Onze afdelingen kregen ten gevolge van de
reconversie-operatie van 1990 nog explicieter een opname-en behandelopdracht
gericht op een bepaalde doelgroep met een specifieke problematiek. De deskundigheid en wetenschap is dermate
toegenomen dat een differentiatie in doelgroepen (o.a. neurotische stoornissen, stemmingsstoornissen, psychotische
stoornissen, ouderenpsychiatrie, afhankelijkheidsstoornissen,….) en
in behandelmilieu’s (o.a. klinisch-therapeutische opdracht,
resocialiserend, rehabiliterend,…) noodzakelijk geworden is voor
kwaliteitsvolle zorg. Deze verdergaande
professionalisering vereist ‘deskundigaards’ die een gespecialiseerde training
gekregen hebben. Niemand is in staat
het geheel te blijven overzien, laat staan alle vaardigheden en methodieken en
technieken van verschillende oorsprong en theoretische achtergronden te
hanteren.
Deel 3. Kan iedereen therapeut
worden? Vijf gedachten ter overweging.
1.
Kan iedereen therapeut worden? In één van de artikels dat verslag uitbrengt
van een serie interviews over de opleiding tot psychotherapeut (verschenen in
1999, in het Tijdschrift voor Psychotherapie) stelt de eindredacteur van het
tijdschrift deze vraag aan Jongerius, u allen wellicht bekend als
psychiater-psychotherapeut die zich ook bezighield met opleidingen tot
psychotherapeut. Hij antwoordt daarop
het volgende:
“Als Erik uit het kleine insectenboek van Bomans bij de wespen komt en merkt dat hij geen angel heeft, zeggen de wespen: ‘Je hebt het of je hebt het niet’. Dat geldt ook voor de psychotherapie. Als je het niet hebt, krijg je het ook niet. Je moet iets hebben, waardoor je je makkelijk verdiept in anderen. Je moet mensen goed kunnen aanvoelen, en de behoefte hebben om met mensen te werken. Je moet het idee hebben dat je iets voor ze kunt betekenen. Als iemand dat allemaal heeft, dan kan hij dat in zijn opleiding vervolmaken, aanscherpen. Maar als hij het niet heeft, dan komt het er ook niet.”
Ik denk dat hierin
nogal wat waarheid schuilt en meteen ook duidelijk maakt dat het niet het
voorrecht kan zijn van twee disciplines om psychotherapeut te kunnen worden.
2.
De relativiteit
der dingen. Onderzoek naar de therapeutische resultaten doet vermoeden dat
het vermogen zorg tot uitdrukking te brengen wel eens de belangrijkste
vaardigheid van een psychotherapeut zou kunnen zijn, aangezien dit de enige
factor bleek te zijn met voorspellende waarde voor therapeutisch succes. Zijn enkel psychiaters en psychologen
geroepen of in staat tot het vermogen zorg tot uitdrukking te brengen? De klinische competentie, de vaardigheden en
technieken die men tot genezende interventies kan rekenen, passen met deze
zorgzaamheid zolang ze geen doel op zich worden en ertoe dienen de krachten en
vermogens van de cliënt te versterken en zijn kwetsbaarheid te verminderen.
3.
Enkele vereisten om tot de opleiding tot
psychotherapeut toegelaten te kunnen
worden. Deze zijn gebaseerd op mijn
aanvoelen nà 18 jaar ziekenhuispraktijk, op de therapeutische opleidingen die
ik zelf voor een deel mocht genieten en op de master of arts in
psychology-opleiding aan de Benelux-universiteit enkele jaren terug.
3.1.
Er moeten natuurlijk duidelijke ingangscriteria zijn waaraan men moet voldoen om een opleiding te
mogen starten. Dat is
vanzelfsprekend. Niet iedereen kan dus
psychotherapeut worden. De uitspraak van
Jongerius kan m.i. toch ook niet te letterlijk genomen worden. Nochtans wil ik
vanuit al het voorgaande ervoor pleiten niet al te stringente of
corporatistische eisen te stellen. Zo
kennen we advocaten, filosofen,
priesters, burgerlijk ingenieurs, maatschappelijk werkers, verpleegkundigen,…
die met succes een psychotherapeutische opleiding volgden of zich naar dit vakgebied
heroriënteerden en er zich in bekwaamden.
Zij helpen mensen en boeken mooie resultaten.
Aan de ingangspoort voor een opleiding zou ik dus niet te streng of te
beperkend zijn, alhoewel ik mij kan voorstellen dat er toch ook wel zoiets als
een minimumdrempel zal bestaan.
Ik zou dit minimum situeren op een graduaatsniveau menswetenschappen.
3.2.
Belangrijker dan het
eerste criterium lijkt mij de inhoud van de opleiding zelf te zijn.
Deze zal ervoor moeten garant staan dat men zo ver mogelijk geraakt in
de deskundigheidsbevordering en in het lange wordingsproces van
psychotherapeut. Ik hoef bij deze
inhouden niet lang stil te staan, ze zijn u genoegzaam bekend en ik beperk mij
dan ook tot een korte opsomming van naar m.i. essentiële onderdelen:
è
de leertherapie: op deze
wijze kunnen mensen zicht krijgen op hun eigen vertekening in hun communicatie
met de patiënt kunnen ze voelen hoe het is om op de stoel van patiënt te
zitten;
è
de
theoretisch-technische onderdelen: dit
spreekt wel voor zichzelf;
è
de supervisie: is essentieel om het vak te leren omdat er
tegelijkertijd aandacht wordt gegeven aan het proces van de therapie en aan de
beheersing van de technieken, en vooral ook aan het redeneren rond een
individuele casus; ook komt daar de persoonlijke invulling door de
therapeut-in-opleiding aan de orde; nieuwe ideeën en zienswijzen kunnen worden
aangereikt; in uitzichtloze situaties kan opnieuw hoop en perspectief gecreëerd
worden voor zowel hulpvrager als hulpverlener;
è
de intervisie is weer belangrijk omdat iemand gedurende langere tijd het disciplinegebonden denken kan
en moet blijven oefenen; het geeft ook een kans op kritische reflectie; het
beschermt tegen oordeelsfouten en routines en geeft hulp bij moeilijke
cliëntsituaties.
4.
Als alles van het
opleidingsprogramma dan keurig in uren is uitgedrukt hebben wij in feite nog
niets gezegd over het eindproduct dat we willen. Wat willen wij nu
dat iemand kan als psychotherapeut?
Het is verbazingwekkend dat opleidingen opgezet
worden, weliswaar op basis van grondig denkwerk over wat iemand nodig heeft,
maar zonder het eindproduct te hebben geformuleerd. In functie van deze vaststelling stelt Jongerius dat de opleidingen veel flexibeler moeten. Zo
pleit hij bijvoorbeeld om sneller te starten met supervisie, voordat iemand de
theoretisch-technische kennis aangeboden krijgt. Aldus kan sneller vastgesteld worden hoe iemand een relatie
aangaat met patiënten. Hij pleit er met
andere woorden voor de meer
non-specifieke elementen van psychotherapie, sneller te evalueren.
In de literatuur vinden we deze a-specifieke
elementen terug onder termen als verbaal en non-verbaal ondersteunend en
hartelijk, niet oordelend, zich kunnen afstemmen op en kunnen communiceren
binnen een andere leefwereld; het eigen waardensysteem kunnen loslaten, enz.
(Leissen, 1999).
De persoonlijke
eigenschappen van een therapeut zijn
beslissender voor de therapieresultaten dan de technieken die hij gebruikt of
de therapie-oriëntatie waartoe hij behoort (Chrits-Christoph & Mintz 1991;
Goldfried e.a. 1990; Luborsky e.a. 1986).
De betere therapeuten worden ook gekenmerkt door psychische gezondheid (Lambert & Bergin 1983; Beutler 1986). Therapeuten met een subjectief gevoel van
welbevinden stralen meer zelfvertrouwen uit, wat samengaat met meer vorderingen
bij de cliënten (Williams & Chambless 1990).
Bovenstaande bevindingen tonen aan dat een universitaire vooropleiding
niet van doorslaggevend belang geacht mag worden, maar dat ‘de menskwaliteiten’ van de therapeut voorop staan. De opleiding tot
psychotherapeut dient klaarblijkelijk andere oogmerken te kennen dan een
wetenschappelijke vooropleiding.
Ik zou bij de flexibiliteit van Jongerius willen aansluiten door te
stellen dat hierin m.i. een belangrijk element te vinden is waardoor we
gemakkelijker uit de discussie kunnen komen over wie nu feitelijk toegang mag
hebben tot het beroep van psychotherapeut.
Ik meen dat afhankelijk van het basisdiploma of de vooropleiding er verschillende opleidingsroutes moeten zijn.
Het is nogal duidelijk dat een psycholoog over meer vakkennis beschikt
die hem van pas komt bij de start van een opleiding tot psychotherapeut. Zo kan ik mij dan ook een modulair opgebouwde
psychotherapie-opleiding voorstellen
waarbij bepaalde beroepscategorieën verplicht worden om bepaalde onderdelen te
volgen, te bestuderen en andere starters hiervan vrijgesteld worden. Zo is de algemene psychologische kennis en
kennis van de psychopathologie per beroepscategorie erg verschillend. Voor een
psychiater en een psycholoog kunnen deze opleidingsmodules gerust een andere/
beperktere inhoud krijgen. De opleiding dient o.i. dus veel gedifferentieerder
te verlopen, rekening houdend met wie zich aanmeldt aan de ingangspoort. De basale opleidingsstructuur blijft
natuurlijk dezelfde, maar vooral de theoretisch-technische componenten zullen
verschillende varianten vereisen.
Wat telt zijn de
eindtermen (kwaliteitsvolle zorg, de output
van de therapeut). Hoe die eindtermen
gehaald worden kan dus via uiteenlopende wegen. We zullen ons dus meer moeten gaan bezighouden met de eindtermen.
In één van de gevolgde opleidingen controleerde men deze eindtermen door de
therapeuten in spe een videoband met enkele reeël opgenomen patiëntengesprekken
ter beoordeling te laten voorleggen aan de opleidingsstaf. Het fungeerde tevens als een eindwerk.
5.
Door de Nederlandse
Academie voor Psychopathologie werd ik op de hoogte gesteld van een aardige
ontwikkeling. De Verklaring
van Straatsburg van 1990 inzake psychotherapie
vormt het fundament van de EAP
(The European Association for Psychotherapy)
op grond waarvan binnen Europa een onafhankelijke en ter zake doende
omschrijving van het betreffende beroep tot stand gebracht wordt. De EAP heeft het Europees Certificaat Psychotherapie (ECP) ingevoerd als nieuwe standaard voor het beroepsprofiel
Psychotherapie.
Deze doelstelling is
in overeenstemming met de doelstelling van de WGO van de VN, en tevens met de
in het kader van de EU geldende regels van non-discriminatie en de bepalingen
inzake het vrije verkeer voor personen en diensten.
Een
psychotherapeutische opleiding kan op grond van diverse vooropleidingen gevolgd
worden, in het bijzonder op grond van opleidingen in de mens-en sociale
wetenschappen.
Het beroepsprofiel
psychotherapie is opgesteld en erkend door 26 nationale delegaties die meer dan
70.000 beroepsbeoefenaars vertegenwoordigen.
Dit beroepsprofiel is al door de Europese Commissie aanvaard. Eind 2000
zijn de eerste ECP in Nederland uitgereikt en presenteren de eerste EAP-psychotherapeuten zich in Nederland.
Aangezien er sprake is van een eerder recente ontwikkeling op Europees
niveau, is nog niet met absolute zekerheid te vertellen welke gevolgen dit zal
hebben voor de praktijkuitoefening, maar dit moeten we toch wel goed volgen en
bekijken alvorens er in België beslissingen genomen worden. De verwachting is dat de diverse regeringen
binnen de EG het ECP uiteindelijk niet zullen kunnen negeren wat betreft de
erkenning. Ook valt te verwachten dat
de verzekeraars hierin zullen meegaan.
Een kartelvorming
die ingaat tegen Europese regelgeving voor wat betreft de non-discriminatie en
de bepalingen inzake het vrije verkeer voor personen en diensten kan niet. Wanneer het ene Europese land een bepaald
beroep heeft erkend dient dit beroep onder dezelfde (Europese) bepalingen te
kunnen worden uitgevoerd in het andere land.
In allerlei beroepen vindt een afstemming en een Europese normering
plaats en zo ook in de psychotherapie.
Besluit.
Is ons samenzijn
nuttig? Is dit hele discours waard
gevoerd te worden? Ik denk het wel.
Over zulk een belangrijke aangelegenheid als de beroepstoegang en de
beroepsuitoefening van een discipline mag men niet lichtzinnig beslissen. Het is van belang voor de bestaande en
toekomstige therapeuten, maar ook voor de groei van de interdisciplinaire teams in de intramurale
settings. De ruimte die de huidig
Minister van Volksgezondheid wil maken voor discussie over de eerste basistekst
lijkt mij de juiste weg te zijn. Als ze
nu ook nog ‘goed’ luistert, zoals het een goede therapeut betaamt, dan wordt er
heel wat mogelijk. Dan is groei in
zicht. Een genuanceerde beslissing over
de toegang tot het beroep zal dan mogelijk worden. Zoals in elke therapie moet de cliënt het zelf doen, ook de
minister zal haar besluiten zelf moeten trekken. We hopen dat de minister vele reacties mag ontvangen op het
eindrapport van de expertenwerkgroep en dat ze wijs en oordeelkundig zal
beslissen. En mocht dit niet zo zijn
dan zijn er nog … de psychotherapeuten.
Ik dank u.
Luc De Schepper
7.02.01
Bibliografie.
1. Paul Anzion. Van ervaren naar kennis.
Jongerius over de opleiding tot psychotherapeut.
Tijdschrift voor Psychotherapie. 1999, 25, p.262 – 276.
2.
Guy Widdershoven. Psychotherapie als praktische
wetenschap. Tijdschrift voor Psychotherapie.
2000, 26, p.395-404.
3.
Paul Anzion. Het
model primeert. Van Oost over de opleiding tot psychotherapeut. Tijdschrift voor psychotherapie. 2000, 26,
p.246-260.
4.
R.W. Trijsburg. Psychotherapeutische
opleiding of opleiding tot psychotherapeut?
Tijdschrift voor Psychotherapie. p.215-219.
5.
Paul Anzion. Het
brede verband. Mattheeuws over de opleiding tot systeemtheoretisch
psychotherapeut. Tijdschrift voor
Psychotherapie. 1999, 25, p. 341-356.
6.
Kees Onderwater, Ivonne
van der Padt en Marianne de Leeuw. Verpleegkundigen, verantwoordelijke
partners in de GGZ. Maandblad voor Geestelijke Volksgezondheid. 1999, 4, p. 369-375.
7.
Piet Verhagen. Therapie
als compensatie. Psychiatrisch verpleegkundige: therapeut of zorgverlener? Tijdschrift voor Verpleegkundigen. 1994, nr. 8, p.
245.
8.
Jan Rademaker.
Nederlandse Academie voor Psychotherapie. Briefwisseling. 2000. 4 pp.
9.
Hans Swildens e.a. Leerboek gesprekstherapie. De
cliëntgerichte benadering. De Tijdstroom. 1991, 544 pp.
10. Marc Eneman. Goede zorg: een
concretisering. In: Zorg op maat en met
een gelaat. Garant. 1996, p. 161-170.
11. C.L.Montgomery en D. Webster. Care, cure en
kortdurende interventie: een model voor psychotherapie door verpleegkundigen. Verpleegkundig Perspectief. 1995, 5, p. 40-48.
12. Bob Cools. Psychotherapeuten en counselors
erkend? Naar een regeling voor nieuwe gezondheidsberoepen. Psyche 4. VVGG.
Jg.12, december 2000.